Hetgeen mij dan vooral steeds weer frappeert wanneer er over ‘wetenschap’ gesproken wordt is het dubbele karakter van en het ietwat mythische aureooltje rond het algemeen gebruik van het begrip ‘wetenschap’.
Dat dubbele en dat mythische schuilt hem dan in het gegeven dat wij enerzijds een mateloos vertrouwen aan de dag plegen te leggen dat ‘de wetenschap’ uiteindelijk al onze prangende vragen wel zal beantwoorden. Daarbij lijken wij als niet-wetenschappers, publiek, consument of vermeende opdrachtgevers dan ook nog eens te verwachten (en soms te eisen) dat die abstracte grootheid ‘de wetenschap’ ons die antwoorden in eenvoudig te begrijpen, hapklare brokken zal presenteren ook waar het om complexe kwesties gaat die we in de vraagstelling vaak al nauwelijks kunnen doorgronden.
Dat vertrouwen(?) dat toch verdacht veel weg lijkt te hebben van, of de gedaante aanneemt van geloof of wensdenken lijkt vooral ingegeven door onze behoefte dingen zeker te willen weten en onze behoefte aan eenvoud, overzichtelijkheid en eenduidigheid. De weg naar de absolute waarheid.
Die houding van mateloos vertouwen, dat de vormen van een geloof lijkt aan te nemen, wordt ook wel als 'sciëntisme' aangeduid.
Daar tegenover staat dan de gangbare theorie en praktijk van ‘de wetenschap’ en wat dan heet ‘de wetenschappelijke methode’ van waaruit een heel ander beeld opdoemt. Een beeld dat door veel wetenschappers aangehangen en uitgedragen wordt. Daar luidt het verhaal dat ‘wetenschap’ welbeschouwd niets anders dan ‘geïnstitutionaliseerde twijfel’ is. Hoewel haar doel dan misschien mag zijn om meer zekerheid te verkrijgen, kan ‘wetenschap’ toch slechts bij gratie van de twijfel bestaan en is ze werkzaam juist door heersende veronderstellingen en zekerheden in twijfel te trekken en kritisch te bevragen.<< vorige | vervolg >>
No comments:
Post a Comment