Showing posts with label hechtingstypen. Show all posts
Showing posts with label hechtingstypen. Show all posts

Tuesday, March 13, 2012

Strange situation en hechtingstypen (5)

In dit stukje verlaat ik me eens enigszins gehaast en al knippend en plakkend op wat de Nederlandstalige Wiki zoal over dit onderwerp te melden heeft.



De 'strange situation' wordt in het Nederlands ook wel als de vreemde situatietest aangeduid.
Hier is de test schematisch weergegeven. De stresselementen zijn cursief gedrukt. Elk onderdeel duurt ongeveer drie minuten.

1. Opvoeder en kind in vreemde ruimte
2. Vreemde volwassene komt erbij en gaat met kind spelen
3. Opvoeder verlaat de ruimte
4. Opvoeder komt weer binnen
5. Opvoeder en vreemde volwassene verlaten vertrek, kind blijft alleen achter
6. Vreemde komt weer binnen
7. Opvoeder komt weer binnen.

De reactie van het kind op item 4 (of 5 in het schema hieronder) is met name interessant en 'very telling' i.v.m. de hechtingstypologie.




De 4 onderscheiden hechtingstypen zijn:

A. Vermijdend gehecht
B. Veilig gehecht
C. Afwerend gehecht
En later daaraan toegevoegd:
D. Gedesorganiseerd gehecht

Van groot belang voor een goed begrip van het fenomeen hechting en de hechtingstheorie is de alinea over:

Ontwikkelingstoornis?
De hechtingstypen zijn geen van allen ontwikkelingsstoornissen, het zijn de ideale aanpassingen van het kind aan zijn omgeving. Wel markeren ze het begin van een ontwikkelingspad waarbij B een protectieve factor is en A,C en D risicofactoren zijn. Wanneer er zich later in het leven pathologie ontwikkelt is deze verschillend voor de verschillende hechtingstypen. De typen A, C en D belemmeren een optimale werking van het exploratiesysteem van het kind. De gedesorganiseerde (D) groep loopt het meeste risico. Denk hierbij aan externaliserende problemen, een slechte aanpassing op school of dissociatieve stoornissen. De mogelijke problemen bij de vermijdende (A) groep zijn gebrek aan empathie, boosheid en agressie. De problemen bij de afwerende groep (C) daarentegen zijn angst, onzekerheid en passiviteit.



Een gemankeerde hechting kan wel zeker tot stoornis(sen) leiden. Er wordt dan over reactieve hechtingsstoornis gesproken, met een onderscheid naar het geremde- en ongeremde type. In de afgelopen decennia hoorde je in verband met hechtingsproblematiek van dergelijke aard vaak spreken over 'bodemloos' of 'bodemloossyndroom'.
De diagnoses staan beschreven in zowel de DSM als de ICD10.
(Over het nut en de inhoud van de DSM heerst overigens nogal wat discussie en controverse.)

<< Mary Ainsworth | with a little help from .. >>

Sunday, March 11, 2012

Mary Ainsworth (4)

De attachmenttheorie is niet uitsluitend de vrucht van het werk en de geest van John Bowlby, maar evenzeer van de inspanningen van met name Mary Ainsworth.



Deze Canadese ontwikkelingspsychologe, wiens meisjesnaam Mary Salter was, dacht en deed onderzoek langs vergelijkbare gedachtelijnen als John Bowlby maar ze deden dat geheel los en onwetend van elkaar. Wellicht zou je kunnen zeggen dat Bowlby's interesse en inzet wat meer systeemtheoretisch en die van Mary Salter Ainsworth wat meer praktisch gericht was.

Toen Mary Salter (in mijn geboortejaar) in het huwelijk trad met Leonard Ainsworth, volgde ze hem naar Londen alwaar hij zijn doctoraalstudie zou voltoooien. Op een advertentie in de 'London Times' reagerend, kwam ze onder leiding van Bowlby te werken aan een onderzoek naar het effect van moeder-kind scheiding op de persoonlijkheidsontwikkeling. En:

'As Mary Ainsworth acknowledges, joining Bowlby’s research unit reset the whole direction of her professional career, though neither Bowlby nor Ainsworth realized this at the time.'


Ainsworth bracht onder andere de notie van een 'secure base', van waaruit een kind de wereld kan ontdekken, naar voren. Maar als de alom erkende grote verdienste van Ainsworth geldt haar vondst van 'the Strange Situation'. Door deze quasi-geniale opzet konden vragen rond het begrip/construct attachment worden geoperationaliseerd en getoetst. Vragen en kwesties die met enige verbeelding al snel 'het verboden experiment' in herinnering zouden kunnen roepen, konden aldus op een acceptable wijze worden gesteld en beantwoord; hoewel deze opzet aanvankelijk toch nog wel enige kritiek oogstte.



Het onderzoek van Ainsworth was ook de aanleiding tot classificatie van zogenaamde hechtinsstijlen, -typen of -patronen. De notie van deze hechtingsstijlen viel haar overigens niet in door het werken met de 'strange situation', maar stamde al uit eerdere observaties en veldwerk in Oeganda en 'the Baltimore project'.

Thus originated the well-known Strange Situation classification system
(Ainsworth et al., 1978), which, to Ainsworth’s chagrin, has stolen the limelight from her observational findings of naturalistic mother-infant interaction patterns at home.

<< John Bowlby | Strange situation en hechtingstypen >>