Showing posts with label psychologie. Show all posts
Showing posts with label psychologie. Show all posts

Saturday, May 14, 2016

Dat 'zelf' van ons een illusie?

Volgens Bruce Hood  is het, zo door ons gekoesterde, 'zelf' vooral een illusie.
Niet omdat er niet zoiets als het 'zelf' (of vele 'zelven') zou bestaan, maar omdat het niet lijkt te zijn wat en zoals wij denken dat het is!

Wednesday, April 15, 2015

Nico Frijda (1927-2015)

In memoriam, Nico Frijda, de man die in de psychologie en wetenschappelijk onderzoek onze emoties weer op de kaart zette.
Frijda beschouwde emoties als behartiger van belangen van een persoon. Niet als irrationele , maar als functionele krachten
aldus Agneta Fischer van de UVA.
Over zijn eigen emoties met betrekking tot zijn ervaringen in de oorlog zei hij ooit in Vrij Nederland:
Bij rampen zoals oorlog zit er weinig anders op dan emotie te onderdrukken.
Ik had besloten een betonnen deksel op mijn verleden te leggen. Dat doe je omdat je bang bent dat anderen het niet aankunnen als erover praat en omdat je bang bent zelf gek te worden als je het doet

Saturday, November 2, 2013

Psychologie uit de supermarkt

Wanneer we vanmiddag doende zijn de spullen op de band te leggen, vraagt de jongen achter de kassa bij Appie Heijn:
- Heeft u ook een bonuskaart?
- Jawel, die hebben we, hoor.
- Mag ik die alvast even van u? vraagt de jongen.
- Die vragen en gebruiken jullie toch altijd pas na het scannen? reageert Marian.
- Ja, maar ze hebben pas berekend dat dit 8 seconden per klant scheelt.
- Zo, hebben ze dat helemaal zo berekend, dan hadden ze er vast niet op gerekend dat ik nu al meer dan 8 seconden die bonuskaart aan het zoeken ben, zegt Marian in haar tas struinend.
- Het werkt ook psychologisch, zegt de jongen, want dan pakken de mensen als ze eerder de druk van een volgende klant ervaren, sneller en gehaaster hun boodschappen in om ruimte te maken voor die volgende klant.
- Wacht eens even, denk en zeg ik opeens terwijl ik het spul in de tas probeer te stouwen, als ik me opgejaagd voel, werkt dat bij mij toch echt andersom, hoor!

AHlogo
Toch bedoelen ze het wel goed, hoor, daar bij Appie H, ooit wellicht de beste supermarkt van Nederland, want bij de uitgang las ik: We zijn pas tevreden als u dat bent Wij zijn pas
Maar dan moet je toch echt niet proberen me op te jagen wanneer ik bezig ben de tas in te pakken!

Wednesday, July 10, 2013

Kahneman (voor gelukzoekers)

Zo'n dag of 10 geleden haalde ik Daniel Kahneman eens aan, toen in verband met een volkje dat er in zijn algemeenheid toch maar steeds niet in wil slagen om in bijzondere mate respect of waardering van mijn kant af te dwingen. De indruk zou daarmee gewekt kunnen worden dat ik ook niet zo’n hoge pet van de Nobelprijs-winnaar in de economische wetenschappen Kahneman op zou hebben. Dat is zeker niet het geval; ik acht de persoon van Daniel Kahneman, zijn gedachtegoed en zijn redeneertrant zeer hoog. En ik zou wat hij zoal te berde brengt beslist nooit als ‘blahblah’ durven aanmerken. Waarvan hier dus even akte.
Behalve dat hij ‘behavioral economics’ voorgoed op de kaart gezet heeft en ons denken zomaar heeft opgesplitst in een snelle (System1) en een ‘slow’ (System2) variant, heeft hij nog wel meer interessants te vertellen. Zo ook over ‘geluk’ bijvoorbeeld. En zoeken we dat niet allemaal? En zijn sommige beroepen, zoals het mijne bijvoorbeeld, er niet in hoofdzaak op gericht om dat ook voor anderen te bewerkstelligen danwel mogelijk en bereikbaar te maken? En valt het leeuwendeel van onze economie welbeschouwd niet als geluks-industrie te typeren?; al worden Rutte en zijn medestanders maar niet moe te roepen dat ze zich doorgaand uit die branche terug willen en zullen blijven trekken omdat het anders allemaal veel te duur zou worden.
Hoor hier dan ook eens Kahneman over geluk: Kahneman wijst er zeer terecht op dat geluk nogal eens met geld verward pleegt te worden. Zeker in de neo-liberale gedachtegang. Nu kom ik op het WereldWijdeWebje her en der wat uitingen tegen alsof Kahneman met de 60.000 dollargrens iets verrassends en in wetenschappelijke zin geheel nieuws aanroert. Dat wil ik dan toch ook wel even rechtgezet hebben; dat is nadrukkelijk niet het geval. Al in de vijftiger jaren ontwikkelde Frederick Herzberg zijn Two Factor Theory van intrinsieke motivatie en extrinsieke hygiëne factoren. Hoewel de focus daar is: wat motiveert? en het antwoord daarop niet alleen en niet in de eerste plaats ‘het hoogste salaris’ volgt daar per definitie uit dat dat ook geldt waar het de satisfactie, tevredenheid of geluksgevoel betreft. Dus wie hier nieuwsgierig naar zou zijn kon het al geruime tijd weten. Maar neo-liberale oren lijken wel erg doof te zijn voor dit soort wetenschappelijk geïnspireerde wijsheden.

Monday, July 1, 2013

Managementboek en 'feilbaar denken'

De laatste tijd hoor ik met enige regelmaat irritante reclames van Managementboek op de radio voorbijkomen: vandaag voor 21:00 besteld …, morgen in huis! Ja het is en blijft natuurlijk een snel en flitsend volkje die managers, nietwaar? nu kwam mij alweer een poosje geleden bij toeval een blad onder ogen met het opschrift: Managementboek Magazine, platform voor business professionals. Managementboek Niet een titel waar ik nu direct warm of enthousiast van wordt. Toch meer iets voor ambitieuze snelle flitsende lieden in pak met navenante praat, denk ik dan. Ik ben nu eenmaal uitermate bevooroordeeld en denk bij managementboeken al gauw aan saaie oninteressante lectuur doorspekt van managementkoeterwaals ofwel het management-dialect van het ‘globish', enige tijd geleden nog bekend als ‘new-speak’. managementcloud Maar ik blijf meestal wel een nieuwsgierig mens en blader zo’n blaadje dan toch eens door om vervolgens te constateren dat ik globaal bezien mijn vooroordelen nog wel een poosje feilloos in tact kan laten. De laatste keer dat ik mijn mening of (voor)oordeel op dit gebied eens ernstig moest herzien was toen ik kennis nam van de theorie van het ‘system’s thinking’ van John Seddon. Die sprak over management in voor mij begrijpelijke taal. JohnSeddon Nu trof ik in deze aflevering (maart 2012) toch ook wel een aardig artikel aan onder de titel ‘We zijn blind voor onze blindheid’ met een interview met Daniel Kahneman naar aanleiding van zijn boek ‘Ons feilbare denken’. Ons feilbare denken Kahneman geldt als een van de invloedrijkste psychologen van dit moment en ontving voor zijn werk zelfs de Nobelprijs voor de economie. Dat moet toch een interessante combinatie zijn voor managers, nietwaar? Zouden managers dan ook een beetje naar hem luisteren? daniel-kahneman-listen Een citaat:
Het idee dat goede mangementpraktijken met goede resultaten beloond zullen worden is op zijn minst overdreven. Succesvolle bedrijven maken ons vaak blind voor de rol die geluk in dat succes heeft gespeeld en hoeveel er mis had kunnen gaan. Het is makkelijk een aantal goed presterende bedrijven te selecteen en vervolgens te kijken wat ze met elkaar gemeen hebben, maar daarmee is de theorie nog niet wetenschappelijk verantwoord. Neem Built to last van Jim Collins. De voortreffelijke bedrijven die daarin worden genoemd presteren in latere jaren bijna zonder uitzondering een stuk slechter.
Daar gaat dan weer zo’n (management)theorietje. Maar het is de missie van Kahneman om, wat hij noemt, cognitieve illusies aan de kaak te stellen. We zijn niet alleen blind voor het voor de hand liggende, maar ook blind voor onze eigen blindheid. Ich denke also Tja.. Johan Cruijff zei het ook al eens:
Als je het niet snapt, dan ken je het natuurlijk ook niet zien, hè; da’s toch logisch.
Dat je een dergelijke stelling de Nobelprijs voor de economie kunt binnenslepen zal sommige mensen wellicht verbazen. Maar zo is het toch echt. Kahneman stelt overigens dat het zijn doel is om de kwaliteit van onze kritiek op een hoger peil te brengen. Hij heeft daarbij wel degelijk een hoge pet op van de mogelijkheden en het functioneren van het menselijk brein, maar ja, we blijven blind voor onze blindheid en ons denken blijft feilbaar. Dat geldt ook nog altijd voor managers, of ze nu boeken lezen of niet. Thinking slow and fast

Tuesday, June 11, 2013

Berggasse 19

In Wien bezochten wij uiteraard ook enkele musea om daar het originele werk van een aantal bekende figuren, wiens namen onlosmakelijk aan de stad verbonden zijn, te aanschouwen. Dat zijn dan namen als Klimt, Kokoschka en Schiele. Dergelijke musea van beeldende kunst bezoek je dan gewoonlijk met het oog op enkele te verwachten oogstrelende ervaringen. Berggasse19 We brachten daarbij ook een bezoekje aan de Berggasse 19. Dat heet ook een museum te zijn maar dan toch één van een iets andere orde. Zo’n slordige eeuw geleden woonde daar ene Dr. Sigmund Freud. Dat woonhuis annex praktijk van toen is nu één van de twee Freudmusea. Het andere staat in Londen waar Freud zich na diens vlucht voor de nazi's vestigde. Mocht je erg nieuwsgierig zijn naar de inmiddels befaamde sofa van de(ze) psychiater moet je niet in de Berggasse zijn maar in het museum in Londen. Dat laatste museum was toch wel een beetje ver weg en we stonden nu eenmaal voor de deur van Berggasse 19 dus … Freudstraatzicht Het verhaal en de erfenis van Sigmund Freud mag in z'n globaliteit wel genoegzaam bekend geacht worden of niet soms ….? En wie kent niet, mede uit persoonlijke ervaring, de zogeheten freudiaanse verspreking? Freud had, zo vernam ik daar, drie grote 'passies', of zo je wilt 'obsessies', te weten reizen, roken en verzamelen. Nou probeer dat maar eens in freudiaanse termen en op freudiaanse wijze te duiden. Freud was jedenfalls een sleutelfiguur en een belangrijke pionier in de vestiging van de psychologie als zelfstandige wetenschappelijke discipline en de stamvader van het fenomeen psychotherapie. Freud Wat mij daar binnen op menig moment misschien nog het meest bevreemdde en frappeerde was hoezeer zijn levensgeschiedenis, zijn vriendschappen, zijn uitspraken, geschriften, notities, brieven, discussies en wat iet meer zij, kortom zijn hele leven (en daarmee van de ontwikkeling van zijn zoektocht naar wat de mens beweegt en hoe het geestelijk leven van diezelfde mens zich over diverse hobbels en door allerlei knopen kan ontvouwen), hoe dat alles zo tot op de letter en zo in detail gedocumenteerd blijkt te zijn. Freudwerkkamers Tegenwoordig lijkt het soms wel een beetje mode en bon ton om ongelimiteerd en niet in het minst gehinderd door al te veel kennis van zaken uitsluitend kritiek op Freud en zijn theorieën te spuien. Freud-bashing heet dat dan wel. Hetzelfde gaat overigens op voor Marx. Nu zijn beide heren altijd controversiële figuren geweest in het denken over onszelf en de inrichting van onze samenleving en dat zullen ze altijd wel blijven. Er is zeker zinnige en gefundeerde kritiek en nuancering mogelijk en nodig op het gedachtegoed van Marx of Freud, maar het bij voorbaat en soms toch wel erg populaire en gratuite ridiculiseren en verguizen van alles wat ze ooit ter berde brachten, zegt, lijkt me, toch heel wat meer over de intelligentie en de intellectuele bagage van deze criticasters dan over hoe gek, dom of slecht deze twee grote rationeel ingestelde humanisten geweest zouden zijn. En naar het zich laat aanzien kun je dergelijke lieden en een dergelijke ongenuanceerde houding vreemdgenoeg ook in toenemende mate in de hoek van sociaal werk en sociale wetenschappen tegenkomen. what-s-on-a-man-s-mind-sigmund-freud

Wednesday, October 10, 2012

Moraliteit en morele ontwikkeling

Waar hoor je tegenwoordig nog over moraliteit spreken? Geen gangbare term of populair gespreksthema voor de moderne mondige mens, zou je zo zeggen. Tegelijkertijd lijkt het er op dat we elkaar steeds meer en steeds vaker de maat nemen op allerhande terreinen, ons veronderstelde morele gehalte incluis. Uiteindelijk zijn we als samenleving min of meer constant in allerlei morele conversaties met elkaar verwikkeld.
De meeste van ons zullen vast niet echt volbloed onberispelijke heiligen of door en door verdorven en kwaadaardige duivels zijn, als die überhaupt behalve dan in de beeldvorming al bestaan, maar ergens wat tussen die onwerkelijke uitersten heen en weer fietsen.
Criteria inzake moraliteit zijn in principe of bepaalde intenties danwel acties als moreel of immoreel danwel a-moreel (geheel buiten het domein van moraliteit liggend en derhalve niet geeigend om langs een morele meetlat te houden) kunnen worden aangemerkt. En zo we weten kan er een aanzienlijke en schier onoverbrugbare kloof gapen tussen onze goede bedoelingen en de daadwerkelijke effecten van ons doen en laten.
Het kan verkeren merkte ene Bredero in dat verband ooit op.
Een bepaalde en bekende psychologische kijk op onze morele ontwikkeling is die van de sociaal-psycholoog en onderzoeker Lawrence Kohlberg. Met deze theorie maakte ik kennis tijdens een opleiding tot Z-verpleegkundige. Kohlberg deed uitgebreid longitudinaal ontwikkelingspsychologisch onderzoek in verschillende landen. Hij kwam voortbordurend op het werk van Piaget met een fasetheorie in drie stadia. Deze theoretische invalshoek is bijzonder invloedrijk en geldt als uitgangspunt in de meeste discussies en verhandelingen over morele ontwikkeling.
Jean Piaget schreef al een boekje over morele ontwikkeling waarin hij in het voorwoord al opmerkt dat het vermogen tot redeneren cq oordelen velllen over morele kwesties niet hetzelfde is als en geen garantie biedt voor moreel gedrag. Ook Kohlberg wijst er ergens op dat zijn onderzoek en theorie de structuur van 'moral reasoning' betreft. Het is dan verder aan de lezer (aan onszelf dus) om dit cruciale onderscheid (en pro-argument in de-vrije-wil discussie) niet uit het oog te verliezen.
Een medewerkster van Kohlberg genaamd Carol Gilligan viel het op dat de meisjes structureel lager op die meetlat van 'moral reasoning' scoorde dan de jongens. Dat scheen haar toch wel wat ongeloofwaardig. Gilligan zette er vervolgens een meer feminstisch perspectief naast en betoogde dat de vragenlijst en theorie van Kohlberg vooral toegesneden waren op een ethiek van rechtvaardigheidsdenken terwijl vrouwen eerder geneigd zijn een ethiek van zorg te hanteren waarbij het behoud van relaties en het samen weer verder kunnen hoog in het vaandel staan.
Ook Gilligan's In a different voice, Psychological Theory and Women's Development oogstte wel enige kritiek. Wat mij betreft onderstreept ze hier toch wel degelijk een belangrijk punt door aan te tonen dat Kohlberg's theorie niet het volledige domein van de moraliteit omvat. Daarnaast lijken de kenmerken van een zorgethiek mij wat meer ge-eigend om bijvoorbeeld iets als de zorg mee te bezien en te benaderen. Ook meen ik hier een duidelijke verwantschap te bespeuren met een benadering als die van Gentle Teaching, om maar weer eens een bruggetje naar mijn werk te maken.
Moral maturity then presumably entails an ability to see in at least two ways and to speak at least two languages
(Little, 1998b, p. 202). Carol Gilligan

Tuesday, March 13, 2012

Strange situation en hechtingstypen (5)

In dit stukje verlaat ik me eens enigszins gehaast en al knippend en plakkend op wat de Nederlandstalige Wiki zoal over dit onderwerp te melden heeft.



De 'strange situation' wordt in het Nederlands ook wel als de vreemde situatietest aangeduid.
Hier is de test schematisch weergegeven. De stresselementen zijn cursief gedrukt. Elk onderdeel duurt ongeveer drie minuten.

1. Opvoeder en kind in vreemde ruimte
2. Vreemde volwassene komt erbij en gaat met kind spelen
3. Opvoeder verlaat de ruimte
4. Opvoeder komt weer binnen
5. Opvoeder en vreemde volwassene verlaten vertrek, kind blijft alleen achter
6. Vreemde komt weer binnen
7. Opvoeder komt weer binnen.

De reactie van het kind op item 4 (of 5 in het schema hieronder) is met name interessant en 'very telling' i.v.m. de hechtingstypologie.




De 4 onderscheiden hechtingstypen zijn:

A. Vermijdend gehecht
B. Veilig gehecht
C. Afwerend gehecht
En later daaraan toegevoegd:
D. Gedesorganiseerd gehecht

Van groot belang voor een goed begrip van het fenomeen hechting en de hechtingstheorie is de alinea over:

Ontwikkelingstoornis?
De hechtingstypen zijn geen van allen ontwikkelingsstoornissen, het zijn de ideale aanpassingen van het kind aan zijn omgeving. Wel markeren ze het begin van een ontwikkelingspad waarbij B een protectieve factor is en A,C en D risicofactoren zijn. Wanneer er zich later in het leven pathologie ontwikkelt is deze verschillend voor de verschillende hechtingstypen. De typen A, C en D belemmeren een optimale werking van het exploratiesysteem van het kind. De gedesorganiseerde (D) groep loopt het meeste risico. Denk hierbij aan externaliserende problemen, een slechte aanpassing op school of dissociatieve stoornissen. De mogelijke problemen bij de vermijdende (A) groep zijn gebrek aan empathie, boosheid en agressie. De problemen bij de afwerende groep (C) daarentegen zijn angst, onzekerheid en passiviteit.



Een gemankeerde hechting kan wel zeker tot stoornis(sen) leiden. Er wordt dan over reactieve hechtingsstoornis gesproken, met een onderscheid naar het geremde- en ongeremde type. In de afgelopen decennia hoorde je in verband met hechtingsproblematiek van dergelijke aard vaak spreken over 'bodemloos' of 'bodemloossyndroom'.
De diagnoses staan beschreven in zowel de DSM als de ICD10.
(Over het nut en de inhoud van de DSM heerst overigens nogal wat discussie en controverse.)

<< Mary Ainsworth | with a little help from .. >>

Sunday, March 11, 2012

Mary Ainsworth (4)

De attachmenttheorie is niet uitsluitend de vrucht van het werk en de geest van John Bowlby, maar evenzeer van de inspanningen van met name Mary Ainsworth.



Deze Canadese ontwikkelingspsychologe, wiens meisjesnaam Mary Salter was, dacht en deed onderzoek langs vergelijkbare gedachtelijnen als John Bowlby maar ze deden dat geheel los en onwetend van elkaar. Wellicht zou je kunnen zeggen dat Bowlby's interesse en inzet wat meer systeemtheoretisch en die van Mary Salter Ainsworth wat meer praktisch gericht was.

Toen Mary Salter (in mijn geboortejaar) in het huwelijk trad met Leonard Ainsworth, volgde ze hem naar Londen alwaar hij zijn doctoraalstudie zou voltoooien. Op een advertentie in de 'London Times' reagerend, kwam ze onder leiding van Bowlby te werken aan een onderzoek naar het effect van moeder-kind scheiding op de persoonlijkheidsontwikkeling. En:

'As Mary Ainsworth acknowledges, joining Bowlby’s research unit reset the whole direction of her professional career, though neither Bowlby nor Ainsworth realized this at the time.'


Ainsworth bracht onder andere de notie van een 'secure base', van waaruit een kind de wereld kan ontdekken, naar voren. Maar als de alom erkende grote verdienste van Ainsworth geldt haar vondst van 'the Strange Situation'. Door deze quasi-geniale opzet konden vragen rond het begrip/construct attachment worden geoperationaliseerd en getoetst. Vragen en kwesties die met enige verbeelding al snel 'het verboden experiment' in herinnering zouden kunnen roepen, konden aldus op een acceptable wijze worden gesteld en beantwoord; hoewel deze opzet aanvankelijk toch nog wel enige kritiek oogstte.



Het onderzoek van Ainsworth was ook de aanleiding tot classificatie van zogenaamde hechtinsstijlen, -typen of -patronen. De notie van deze hechtingsstijlen viel haar overigens niet in door het werken met de 'strange situation', maar stamde al uit eerdere observaties en veldwerk in Oeganda en 'the Baltimore project'.

Thus originated the well-known Strange Situation classification system
(Ainsworth et al., 1978), which, to Ainsworth’s chagrin, has stolen the limelight from her observational findings of naturalistic mother-infant interaction patterns at home.

<< John Bowlby | Strange situation en hechtingstypen >>

Wednesday, April 13, 2011

Ook 50 jaar terug

Eveneens 50 jaar terug, een dag voordat Gagarin de ruimte ingeschoten werd, begon ook het proces tegen Adolf Eichman.
Eichman werd door de Mossad uit Buenos Aires ontvoerd en naar Israel overgebracht om daar terecht te staan voor de moord op zes miljoen mensen.
Volgens het meest bekende verhaal zou het vooral aan de inzet en vasthoudendheid van Simon Wiesenthal te danken zijn dat Eichman gearresteerd kon worden en volgens andere geluiden zou hij weing tot niets met die arrestatie van doen gehad hebben.



Ik was als 10- en 11-jarige bijzonder geïntrigeerd door deze zaak en volgde de verhalen hierover en de rechtbankverslagen op de letter en de voet.

Hannah Arendt en Harry Mulisch waren twee bekende namen die verslag deden vanuit Jeruzalem en schreven ook beiden een boek over Eichmann's motieven en hoe die te duiden.
Veel bekend in dit verband kreeg ook het zogenaamde Milgram experiment van Stanley Milgram.
De meeste mensen die kennis nemen van dit experiment ervaren de resultaten ervan als nogal onthutsend en dat vind ik geenszins verbazingwekkend of verwonderlijk. Toch wordt het, waar het inzicht verschaffen in de wat minder goede en wellevende aard van het beestje dat we ook zijn, nog eens flink overtroffen door een experiment van Philip G. Zimbardo uit 1971. Dit betreft het zgn. gevangenisexperiment dat na de Abu Ghraib affaire hernieuwd in de actualiteit en de belangstelling kwam te staan.

Wat deze experimenten laten zien is hoezeer de mens zich in zijn gedrag door omgevingsfactoren laat bepalen. Allerlei populaire en populistische geluiden tot het tegendeel ten spijt.
Ik heb nu bepaald niet de indruk dat het huidige politieke, sociaal-economische en sociaal-culturele klimaat erg bevorderlijk zou zijn voor een bijzonder evenwichtige en gezonde omgeving waarin mensen en menselijkheid bij uitstek kunnen gedijen.

Sunday, April 3, 2011

(Onbe)grens(d)geval?

Henk50 schrijft in zijn blog Onderweg onder de kopjes Psychologie en Opvoeding nogal eens iets over en ter verheldering van het moeilijke begrip 'Borderline' en over denkbeeldige personen die deze diagnose opgespeld krijgen, de zgn. borderliners.
En ook over 'de diagnose' zoals onlangs in het stukje: De gekleurde bril van de diagnose, waarin een aantal zeer behartenswaardige en verhelderende opmerkingen over de diagnose. Het woord diagnose suggereeert een zekere mate van wetenschappelijkheid en derhalve aanspraak op de enige waarheid waar hier op goede gronden en m.i. volslagen terecht de nodige vraagtekens bij geplaatst worden.



De ingrediënten uit het heldere recept van Henk50 naar Lorna Smith Benjamin voor een goede diagnose lijken mij onmisbaar als we er iets van willen bakken en de onmisbaarheid ervan lijkt me onweerlegbaar en niet te ontkennen:


Een goede diagnose


a) houdt rekening met de ontstaansgeschiedenis van het gedrag (in een relationeel kader: deze persoon in zijn omgeving, waar binnen geleidelijk die gedrag zo gegroeid is),
b) brengt de huidige situatie in kaart in relatie tot de omgeving
c) en geeft ook aan wat er moet gebeuren om nieuw en ander gedrag te ontwikkelen.



Dat raakt dan tevens aan de achilleshiel van het nogal pretentieuze en ietwat uit zijn krachten gegroeide DSM dat hier al eens eerder ter sprake kwam.

In dit zelfde stukje werd ik opmerkzaam gemaakt op een nog een heel goed en verhelderend artikel over 'De bordeline persoonlijkheid' van de hand van Sonja Bouwkamp in Kintakt 25.
Een bijzonder aan te bevelen en lezenswaardig artikel voor een ieder met enige interesse in deze materie en niet in het minst voor mijzelf en al mijn collega's in de zorg. (ziehier het artikel in pdf-formaat)

Zonder de inhoud van dit artikel ook maar enigszins uitputtend of systematisch te willen bespreken (lees het liever zelf) wil ik er toch een paar opmerkingen bij plaatsen. Behalve dat er zinnige dingen over diagnoses worden gezegd, geeft het in begrijpelijke taal niet alleen een helder beeld van wat een 'borderliner' kenmerkt, maar ook van wat hem/haar beweegt. Als Bouwkamp aspecten als zwart-wit denken, gehechtheid, aantrekken en afstoten, verbondenheid en autonomie, veiligheid, euforie en wanhoop, manipulatief gedrag e.d. opvoert in haar schets van de 'borderliner', denk ik dat zijn toch universele thema's waar we allemaal mee te 'dealen' hebben evenals met bv. de zwaartekracht. Dat moet toch (Dilthey's Verstehen und Erklären indachtig) in belangrijke mate de ingang zijn om het gevoelsleven en soms onbegrijpelijke gedrag van de 'borderline persoonlijkheid' toch enigzins begrijpelijk en herkenbaar te laten zijn ook al doet een en ander zich bij zo'n persoon zich in een specifieke dynamische relatie voor en in vaak extreme intensiteit.



Sonja Bouwkamp beveelt tot slot een aantal stappen in het werken met de borderlinepersoonlijkheid aan, te weten:

1. Normaliseer
2. Werk samen
3. Leg patronen bloot
4. Stop destructieve patronen
5. Versterk de eigenheid
6. Help nieuwe patronen aan te leren

Een mooi lijstje, nietwaar?
Volgens mij zou menige hulpverlener zich al terecht op de borst mogen kloppen als hij/zij dit lijstje in de praktijk ook zo mooi weet af te werken en dan bepaald niet uitsluitend in het contact met de borderlinepersoonlijkheid!

Sunday, January 2, 2011

Neuropraat

Het leek me dus zomaar eens tijd voor de nieuwe categorie: 'neuropraat'
Dit als maatje en tegenspeler van 'psychobabbel'.
Maar ze blijken natuurlijk een ééneiïge tweeling te zijn en het ei dan, wel dat zijn wij dan.
Dat zal dan ook onvermijdelijk met enige regelmaat vragen van het type kip-of-ei oproepen.



Op dit Blog kwamen al eerder de amygdala ter sprake; een onderwerp dat bij uitstek onder het kopje 'neuropraat' geschaard kan worden (bij deze dan).
'Neuroscience' is 'booming' mede dankzij de scantechniek fMRI ofwel functionele MRI (downloadable ppt tutorials) en de bevindingen daarvan worden ook al in lesstof verwerkt en inzichtelijk gemaakt voor 'kids'. Aldus en ook door het algemeen gangbare gebruik van de computermetafoor voor het brein worden bepaalde noties en inzichten over het functioneren van 'onze hardware' al gauw gemeengoed.

Uiteindelijk draait het toch telkens weer om de alomaanwezige, immer intrigerende en interessante verhouding tussen lichaam en geest.

Ook werd eerder op dit Blog (met dank aan Henk50) melding gemaakt van het Charles Bonnet-syndroom, ook al zo'n neuropraat-fenomeen. Nu heeft Oliver Sacks, op de hem bekende en eigen wijze, ook het een en ander te melden over dat syndroom, de menselijke geest en het brein en zijn verhaal lijkt mij een zeer toepasselijke opening voor een rubriek die 'neuropraat' wil heten:

N.B. Nederlandse ondertiteling in te stellen door op 'View subtitles' te klikken.

Saturday, July 24, 2010

DSM; oplappen of weg ermee?

Mocht de kleine bloemlezing hiervoor een beetje badinerend overkomen, zie dan ook dit youtube filmpje eens.

Wat de DSM-classificatie betreft lijkt de hamvraag zo langzamerhand te worden of de nodige vlekjes en oneffenheden nog weggewerkt en gladgestreken moeten worden of dat het inmiddels een onhandelbaar monster en een vloek aan het worden is?
Wanneer de kanttekeningen en bezwaren vanuit de eigen gelederen al van een dergelijk gewicht en omvang worden als verwoord door Allen Frances, dan lijkt dat mij de geloofwaardigheid van deze diagnostische en statistische handleiding vooralsnog niet ten goede te komen. Je zou haast denken: with friends like that, who needs ennemies?



Toch zijn die uitgesproken vijanden er ook. Een gerenommeerd psychiater als Thomas Szasz voert al sinds de vijftiger jaren een strijd tegen, wat hij in een boektitel noemt, 'The Myth of Mental Illness' (1960) en werd daarmee één van de boegbeelden van de antipsychiatrie-beweging.
In 1969 richtte hij samen met Scientology (een overigens wat dubieuze beweging, als ik mij niet vergis) de Citizens Commission on Human Rights op als een soort watchdog tegen uitwassen van en misstanden in de psychiatrie.
Voor de argumentatie van Szasz, zie deze video of struin zijn website eens af.
Zijn vriend en medestander Jeffrey A. Schaler mocht in 2006 de Thomas Szasz award in ontvangst nemen en sprak daarbij deze woorden. (ook de andere videos op deze pagina zijn relevant en informatief)
Deze lieden komen hier, dunkt me, toch met zeer sterke argumenten die zich niet zomaar van tafel laten vegen, ook niet als je, evenmin als ik, niet zomaar geneigd bent om iedere vorm van psychiatrische duiding bij voorbaat als een vorm van onderdrukking aan de schandpaal te nagelen.

Dan hier nog even een staaltje PR-, marketing- en reclametechniek in deze controverse; sluw gemonteerd uit deze reportage. Mijn vraag in deze luidt dan: willen wij een diagnose aangaande leerproblemen als bv. dyslexie ook als een geestesziekte aanmerken? Of begint de schoen dan opeens toch wat te wringen?

Los van de vraag of een DSM diagnose moet betekenen dat je geestesziek zou zijn en of een wat helderder onderscheid tussen mentaal- en/of moreel defect hier niet op zijn plek zou zijn, lijken de meeste klachten uit het veld toch veelal neer te komen op de vraag: wordt een diagnose niet dermate vaag, ruim en a-specifiek dat hij betekenisloos en zinledig gaat worden.
Neem daarbij het gegeven dat de classificatie vaak weinig of niets zegt over oorzaak, verloop en een te verkiezen behandeling maar in toenemende mate wel geldt als toegang en voorwaarde voor zorg en behandeling middels financieringsregelingen en zie de geboorte van een bureaucratisch wespennest en ontembaar technocratisch monster.

De farmaceutische industrie spint daar overigens goed garen bij, want die heeft voor elke mentale kwaal uiteraard de nodige pillen ontwikkeld en heeft nog veel meer in het vat.
Ik ben niet iemand die gelooft dat de APA en andere DSM-adepten samen met de farmaceutische industrie deze situatie bekokstoofd, tot in de puntjes voorbereid en er al sinds jaar en dag naartoe gewerkt hebben. Die complottheorie lijkt mij nogal onzinnig, maar wie niet ziet dat de huidige gang van zaken wel een zelfde uitwerking heeft alsof het een dergelijke samenzwering betrof lijdt volgens mij toch echt aan het 'de-Nieuwe-Kleren-van-de-Keizer-syndroom'.



Dat is dan tevens mijn suggestie als nieuwe DSM-V diagnose: de-Nieuwe-Kleren-van-de-Keizer-syndroom! Zie eens goed om u heen; het begint echt schrikbarende vormen aan te nemen en slechts een standvastige enkeling lijkt zich hier in deze tijd van commercialisering en informatie-overdaad nog enigszins aan te kunnen ontrekken.

Een van de belangrijkste oorspronkelijke doelstellingen van elk classificatiesysteem is natuurlijk om een gezamenlijke taal te ontwikkelen zodat we als betrokkenen of belangstellenden weten waar we over praten, over hetzelfde praten, observaties en ideeën uit kunnen wisselen en aldus wat voortschrijdend inzicht op gang kunnen brengen. Het zal een ieder die in de GGZ of een aanpalend winkeltje werkzaam is duidelijk zijn dat de DSM in dat opzicht zijn doel al een keer of wat finaal voorbij geschoten is. Een DSM diagnose stellen is specialistenwerk en de werkvloer zal veelal ja-en-amen knikken en willen weten welke pil daar dan bij hoort en of er anderszins nog een gebruiksaanwijzing aanvast zit als er weer zo'n etiketje voorbijkomt. (soms zelfs dat laatste niet)

Toen ik zo'n dertig jaar geleden in de zwakzinnigenzorg ging werken werd een bepaalde groep pupillen aangeduid als buitenbeentjes of structopaatjes en kregen de DSM-diagnose MBD-syndroom. Dat MBD stond voor 'minimal brain damage' omdat men veronderstelde dat er een (kleine) hersenbeschadiging aan ten grondslag zou liggen. Daar werd naarstig naar gezocht maar de beschadiging werd maar niet gevonden. Het etiket MBD bleef maar stond nu opeens voor 'minimal brain dysfunction'. Inmiddels ligt het label MBD ergens op de vuilnishoop en kunnen enkele voormalige MBD-ers naar bv. de diagnose PDD-nos verhuisd zijn maar de bulk heet nu aan ADHD te lijden.
Wat betreft ADHD verwijs ik u graag even naar dit commentaar en verder kunt u er natuulijk eens op googelen. Probeer dan echter niet alles te lezen; uw aandachtsspanne zou daar weleens ernstig onder kunnen gaan lijden.

<< vorige - dan maar een pilletje? >>

Thursday, July 22, 2010

DSM5 of DomSM5?

Had u wel eens gehoord van Allen Frances? Ik tot zo'n anderhalve week geleden niet! Ik kan helaas geen Wiki-entry over hem vinden maar in 1994 noemde de New York Times hem nog de machtigste psychiater van Amerika op dat moment. Dat omdat hij de taskforce leidde die resulteerde in DSM4.

Over de DSM en de toepassing daarvan heb ik al eens wat twijfels geuit en vergelijkbare opmerkingen lees ik ook wel eens op het blog van Henk50. Daar las ik gisteren het volgende stukje m.b.t. De diagnose: autisme.



In een editorial van het Human Givens Journal lees ik vorige week dat genoemde Allen Frances, emeritus hoogleraar psychiatrie aan de Duke University School of Medicine en voorzitter van de blauwdrukcommissie van de vorige DSM-versie zich ernstige zorgen maakt over de richting die DSM5 dreigt te nemen. Frances zegt door schade en schande wijs geworden te zijn en zich goed te realiseren hoe kleine veranderingen in de definities van geestesziekten grote onvoorziene en onbedoelde gevolgen kunnen hebben. Hij uitte al eerder regelmatig zijn bezorgdheid hierover maar n.a.v. de eerste op het internet gepubliceerde blauwdruk gooit hij de knuppel in het hoenderhok en reageert in 'Psychiatric Times' met een vernietigend artikel getiteld: Opening Pandora’s Box: The 19 Worst Suggestions For DSM5; waarin hij de 19 slechtste suggesties voor de op stapelstaande nieuwe versie eens op een rijtje zet.
(Het betreffende artikeltje kon ik gisteravond nog zo tevoorschijn googelen, maar nu moet ik opeens inloggen dus ik weet niet of de lezer daar zomaar bij kan komen; zoniet vind je hier iets van inhoudelijk vergelijkbare strekking: DSM5 in Distress)

Houdt u zich vast hier; volgt een kleine bloemlezing:

Wat te denken van de voorgestelde diagnose 'psychosis risk syndrome'?

Volgens de meest voorzichtige studies zou de onterechte diagnosestelling hier op een schrikbarende 70-75% uitkomen maar wordt hoogstwaarschijnlijk veel hoger als de diagnose eenmaal aanvaard en gebruikelijk zou worden en het zou zo goed als zeker een interessante target voor de farmaceutische industrie worden.

Of wat dacht u anders van de 'mixed anxiety depressive disorder'?

Zoiets bedenk je toch ook niet op elke vrije namiddag! Hiervoor moet u een aantal non-specifieke symptomen vertonen die gewoonlijk wijdverbreid over de algehele populatie voorkomen en daarmee zou het al gauw een van de meest voorkomende stoornissen worden; in die zin vergelijkbaar met ADHD of erger.

Dan hebben we ook nog de 'minor neurocognitive disorder'.

Ook omschreven door non-specifieke symptomen van in dit geval een verminderd cognitief functioneren of prestatievermogen; wederom iets dat zeer algemeen voorkomt en misschien wel een onvermijdelijkheid bij mensen boven de 50.

Als toetje dan nog even de 'Temper dysfunctional disorder with dysphoria'.

Volgens Frances een van de gevaarlijkste en slechtstdoordachte suggesties voor DSM5. Een volslagen misplaatste medicalisering van woedeuitbarstingen die een ongehoorde hausse in het gebruik van anti-psychotische medicatie teweeg zou brengen met alle gevaren van dien.

Frances hekelt verder de slechte schrijfstijl die gehanteerd wordt en zichtbaar inconsistentie en incoherentie in de hand werkt. Ook heeft hij geen goed woord over voor de voorgestelde drempelverlaging voor vele bestaande diagnoses.


Bredero indachtig lijkt de vorige chairman in een van de grootste en een formidabele tegenstander veranderd. Dat is toch niet helemaal het juiste beeld. De definitieve versie van DSM5 moet over een jaar of drie het licht gaan zien en Frances probeert te redden wat er te redden valt en of dat nog zin heeft, 'only time will tell'. Frances weet heel goed dat het bestaande DSM-safetynet al heel wat onbedoelde bijvangst heeft met alle gevolgen vandien voor de betrokkenen. Er zijn lieden en bewegingen die de DSM heel wat resoluter afwijzen en in de beklaagdenbank zetten dan Allen Frances. (misschien daarover later nog eens iets meer)



We gaan er de komende jaren vast meer over horen en er liggen weer gouden tijden voor psychiaters en pillendraaiers in het verschiet. Het ziet er helaas voor lieden in de omgeving van Oss niet naar uit dat ze van deze opleving mee gaan profiteren. En of de onfortuinlijke, gediagnosticeerde, mentaal zieken of ontregelden nog ergens van gaan profiteren?
Wie het weet mag het weer zeggen.

Saturday, July 17, 2010

Gentle Teaching; mijn voorlopige kijk op (6)

De stand van zaken: Ik heb twee eerdergenoemde werkjes van John McGhee gelezen, wat GT web-sites afgesnuffeld, een gesprekje op mijn werk over GT gehad en daar een boekje van de Prinsenstichting met DVD-verslag van John McGee in actie ter inzage gekregen.

En ik kom vooralsnog tot de conclusie dat ik het onverminderd als een sympathieke en zinnge benadering zie en mijn argumenten en redenen daarvoor vind ik grotendeels uitstekend verwoord in dit korte en heldere pro-GT artikeltje in Zetnet.nl.

Het hele idee sluit, wat mij betreft, ook prima aan op mijn pragmatische werkmodel van beheersmodus versus ontwikkelingsmodus (zie ook gelijknamig stukje; maar soms wil ik ook wel aan iets meer of aan iets anders werken dan datgene waar GT exclusief zijn pijlen op lijkt te richten.


Een bijzonder doortastende en evenwichtige samenvatting waar ik mij volledig in kan vinden kwam ik tegen in Behavioural distress; concepts and strategies by Bob Gates, Jane Gear and Jane Wray.
Daarin wordt gesteld:


The debate regarding whether Gentle Teaching is 'behavioural' or not has been misleading. In fact it can be easily demonstrated that it does use behavioural techniques and consequently there must be a demonstrated therapeutic effect. Gentle teaching evolved out of behaviourism and adopted those techniques considered useful, therapeutic and positive and abandoned the elements of the approach that were seen to be focused on behaviour and aversive. Although the advocates of gentle teaching have been reluctant to associate themselves with their behavioural history, there is an inherent strength in this association. For Gentle Teaching, this association actually offers hard empirical evidence to support its claims to effectiveness.



In hun conclusie stellen de auteurs dat GT begrepen kan worden als een reactie en een antwoord op het behaviorisme, dat zich overigens de laatse 40 jaar voortdurend ontwikkelde, veranderde en aanpaste. GT kan gezien worden als één therapie onder velen die die veranderingen weerspiegelen. Het verschil in gerichtheid en doelstelling tussen GT en behaviorisme wordt nog wat nader benoemd. Er wordt daarbij geopperd dat GT niet alleen uit het behaviorisme voortgekomen is, maar ook invloed heeft gehad op de richting die het behaviorisme de laatste 15 jaar heeft genomen met toenemende nadruk op en aandacht voor relaties, zelf-expressie en emotionele behoeften. (En voorzichtig wordt de wens/mogelijkheid geopperd dat er in de toekomst geleidelijk aan naar een samengaan zou kunnen worden toegewerkt??)



De verschillen tussen beide benaderingen worden in bovengenoemde conclusie in een notedop getypeerd als GT richt zich met name op de hele persoon en relaties terwijl het behaviorisme zich met name richt op specifiek gedrag. Dat lijkt me een juiste typering, maar het lijkt me ook helder dat er dan tussen die uitersten een vooralsnog braak of verwaarloosd terrein blijft liggen dat ook bezien, bewerkt en bewandeld hoort te worden. Naar mijn smaak dient deze witte vlek vooral ingevuld te worden met kennis zoals bv. (ortho-)pedagogische of (ontwikkelings-)psychologische kennis over relevante zaken als bv. motivatie, temperament, hechting, angst, agressie e.d..

In dat verband zou ik geïnteresseerden in dergelijke materie het Blog onderweg van Henk50 willen aanraden; als je daar bv. op zoektermen als: temperament, hechting, kinderangsten, persoonlijkheidsstoornis of zelfbeeld zoekt krijg je gedegen en heldere uitleg over het betreffende onderwerp, op korte, verhalende wijze en in voor een ieder te begrijpen bewoordingen.

Zoals ik elders al opmerkte, ervaar ik het zelf als een manco dat ik in de uiteenzettingen en argumentaties tussen en over GT en bv. het behaviorisme het onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke beloning en dito motivatie nauwelijks of niet lijk tegen te komen. Terwijl dat naar mijn smaak toch vaak van doorslaggevend belang is, zowel in verklarende zin als in zijn uitwerking in de praktijk.



Al googelend zie ik overigens her en der de controverse GT – behaviorisme nog in volle scherpte en her en der zie ik ook tekenen van verzoening en van de combinatie van beide.
Een ander heet hangijzer is het onderzoek naar de effectiviteit van GT dat, voor zover te vinden, nogal diverse en tegenstrijdige resultaten laat zien.
Het Gentle Teaching Evaluation Network of G-TEN en andere GT-adepten beroepen zich veelal op kwalitatief onderzoek en een paradigmashift om hun zaak te bepleiten. (zie powerpointpresentatie)
Onderzoekers die de meer wetenschappelijk gebruikelijke en aanvaarde experimentele onderzoeksopzet hanteren komen veelal met resultaten die een beduidend minder zonnig beeld van de effectiviteit van GT laten zien. (google zelf maar even; u zult een paar onderzoeken met bijbehorende namen heel vaak terugzien)
Zo staat mij bij een onderzoek over 9 proefpersonen waarbij verschillende vormen van agressie, zelfverwonding en frequentie van afzondering als graadmeters werden genomen en 2 van de 9 een verbetering lieten zien bij toepassing van GT, terwijl 2 een verslechtering lieten zien en bij 5 geen meetbaar effect optrad.
Het lijkt mij dat dergelijk onderzoek replicatie verdient omdat bij dergelijke uitkomsten de vraag gerechtvaardigd is of zelfs obligaat wordt of het wel wijs is zo'n benadering instellingsbreed in te voeren en of het niet beter zou zijn om te zien voor welke personen in welke omstandigheden deze benadering het meest geëigend is.

Mijn redenering luidt dat als GT ons begeleiders leert om beter naar onszelf en de effecten van onze houding en ons handelen te kijken en onze menselijkheid en morele integriteit ten goede komt (en daar wil en kan ik het verhaal van John McGee een heel eind in volgen), dan moet dat ook zijn weerslag krijgen op het welzijn en welbevinden van onze cliënten en dat moet dan op enig moment ook weer simpelweg zichtbaar en meetbaar worden in gedrag.
In het algemeen en zachtjes gezegd vind ik de houding van GT inzake openheid over en medewerking aan gangbaar onderzoek bepaald geen sterke indruk maken.

Als ik het goed begrepen heb zal de Gentle Teaching zoals hij op mijn werk geïnstrueerd en toegepast gaat worden er ook niet een van de streng orthodoxe richting zijn, maar meer een aan cultuur en omstandigheden behoedzaam in- en aangepaste vorm betreffen.
Met inachtneming van enige kanttekeningen zie ik daar wel enig heil in.
Maar de proof of the pudding blijft natuurlijk altijd in the eating en dat kan, als ik het wel heb, nog een klein jaartje duren. Misschien is het wel zoals mijn collega Aly reeds opmerkte, dat wij dit voor een belangrijk deel al trachten toe te passen.

De 11de internationale gentle teaching conferentie zal op 3, 4 en 5 november in
ons land gehouden worden en wel in Haarlem; John McGee zal daar acte de prescence geven.

<< vorige - naar John McGee >>

Thursday, March 11, 2010

Het behaviorisme als paradigma (3)

Sinds Thomas Kuhn in 1962 zijn The Structure of Scientific Revolutions publiceerde is het gebruikelijk om van een paradigma te spreken als zijnde het samenhangende en moverende stelsel van vooronderstellingen, theorieën en modellen waarmee men binnen een bepaalde discipline of stroming de werkelijkheid pleegt te benaderen.

Een halve eeuw daarvoor was het het project van het behaviorisme om avant la lettre het nieuwe paradigma van de psychologie of misschien hier wel juister gezegd de gedragswetenschap te formuleren.
De pretenties en ambities van het behaviorisme waren groot en zo ook de opmars als dominante stroming binnen de psychologie.
Doel en methode laten zich kernachtig samenvatten als de zoektocht naar de functionele en causale verbanden tussen S en R, waarbij S staat voor stimuli of omgevingsinvloeden en R staat voor respons, reactie ofwel gedrag.
En de paradigmatische kern of de onderliggende en alom aanwezige basisstelling luidt dat: alle gedrag is aangeleerd.

Tot in zijn uiterste consequenties doorgedacht kan een dergelijke radicale stelling al gauw problematisch of grotesk worden. Is bv. onze ademhaling dan ook aangeleerd gedrag en middels leren te beïnvloeden? Het lijkt er toch eerder op dat moeder natuur en onze aangeboren aanleg deze functie in principe prima geregeld heeft en we de omgeving echt niet hoeven te manipuleren om dit vlot te laten verlopen.
En hoe verwerven wij taal?
In 1957 verscheen Syntactic Structures van de hand van Noam Chomsky.
In datzelfde jaar verscheen Verbal Behavior van de hand van B.F. Skinner en in 1959 verscheen daar een kritiek op van Noam Chomsky. Hierin betoogde deze aanstichter van de transformationele taalkunde op overtuigende wijze dat de taal een diepte- en een oppervlaktestructuur kent; en dat die dieptestructuur wijst op of in feite een vorm is van aangeboren kennis waardoor wij allen begiftigd zijn met het vermogen of de aanleg om ongeacht welke taal dan ook te verwerven.
Volgens velen werd in en door deze discussie het lot van een behavioristische theorie over taalverwerving beslist en kon deze voorgoed naar de vergetelheid worden verwezen. Daarbij luidde het tevens de cognitieve wending in en daarmee het einde van de behavioristische theorie als leidend paradigma binnen de psychologie.

Daarmee leek het erop dat bovengenoemde discussie over taalverwerving beslist en teneinde was.
Dat is hij dus allerminst al zul je er weinig meer over in de krant lezen; inmiddels komt uit behavioristische hoek, als variatie en voortzetting van Skinners ideeën, de Relational Frame Theory.
Ook in allerlei andere vraagstukken komen argumenten van behavioristen overigens regelmatig terug; voor een gedegen doch leesbare verhandeling over wat voors en tegens met de nodige nuance op een rijtje gezet zie: Behaviorism

Hoe dan ook binnen de psychologie was de dominantie van het behaviorisme ten einde en werd die plaats ingenomen door het cognitivisme.
In de filosofie zien we vergelijkbare tendenzen en bewegingen (zie bv. Emoties en rationaliteit revisited van Heleen Pott in Wijsgerig perspectief 2003, nr 2). In dit artikel wordt, zoals overigens van vele kanten te vernemen valt, ook opgemerkt dat het nu geldende paradigma wankelt:


Hier en daar zijn zelfs de eerste tekenen waar te nemen van een revival van de aloude 'feeling-theorie'. Binnen de psychologie is sprake van een opmerkelijke terugkeer van William James, die als eerste de feeling-theorie van de emoties wetenschappelijk articuleerde. Ook de neurofysiologische bewustzijnstheorie van Antonio Damasio die de laatste jaren furore maakt binnen de psychologie, vat zichzelf op als een kritische voortzetting van de feeling-theorie van James.

Op een geheel ander niveau hoor je her en der nogal eens bezorgde geluiden over de overmaat aan oplaaiende irrationele emoties, korte lontjes e.d.; voor een wat andere en optimistischere kijk op dergelijke cultureel-maatschappelijke bewegingen zie: culturele omslag

Dat het behaviorisme in wetenschapfilosofische zin veel aan geloofwaardigheid heeft in moeten boeten mede door haar radicale positie in het nature-nurture-debat zal niemand vandaag-de-dag verbazen. Zie hoe het evolutie-denken in navolging van Darwin en medestanders alom ingeburgerd is geraakt en zie de aard van de belangstelling voor de ontrafeling van het menselijk genoom en andere algemene opvattingen waarin het belang van aanleg en erfelijkheid onderstreept worden.
Het paradigma dat alle gedrag aangeleerd is met de stilzwijgende implicatie dat elk gewenst gedrag ook aan te leren zou zijn lijkt te hebben afgedaan.

Zelf vind ik ook dat het behavioristische paradigma niet de juiste of omvattende basis voor de psychologie kan zijn omdat ik meen dat de meest fundamentele vraag van de psychologie de vraag naar de aard en het wezen van het menselijk bewustzijn is of hoort te zijn. Een vraag waar we mijns inziens nooit een klip-en-klaar antwoord op zullen krijgen, maar waar wel alle andere vragen uit de psychologie op de een of andere manier verband mee moeten houden.
En de orthodoxe behavioristen lijken vragen over het bewustzijn nu juist als irrelevante ruis bewust uit te bannen. (hetgeen opzichzelf een leuke paradox kan opleveren)
Dat ik het niet als bevredigend paradigma onderschrijf betekent overigens niet dat ik de vragen en bevindingen die het behaviorisme opgeleverd hebben als onzin zou afdoen of niet als waardevolle kennis beschouw.

Wat op zijn minst opvallend en merkwaardig mag heten wanneer we kijken naar de meer uitgesproken aannamen en uitgangspunten van het behaviorisme, is hoe totaal verschillend die in verschillende tijden en situaties gewaardeerd kan worden.

Als ik zo op mijn eigen herinnering afga dan is het toch zo dat de meeste mensen, mijzelve incluis, ofwel ronduit negatief waren over of toch minstens wat bedenkingen hadden tegen het mechanistische of reductionistische karakter van die uitgangspunten. En ook als men in de praktijk operante conditionering toepaste en onderschreef vanwege het gewenste effect werd er toch veelal ook enige afkeer van de theorie erachter geuit. We spreken dan over de heersende mentaliteit van zo'n tien, twintig en dertig jaar geleden in Nederland.
Vreemd genoeg werden diezelfde uitgangspunten een aantal decennia daarvoor zeker niet altijd als mechanistisch en beperkend ervaren; juist de maakbaarheidsgedachte werd als uitermate positief ervaren. Men zag er ook nieuwe mogelijkheden voor een beter toekomst in.
Zo komt Skinner in 1948 met de utopische roman Walden Two , waarin hij een experimentele gemeenschap beschrijft waar menige socialistische, progressieve of groene politieke partij heden ten dage nog nauwelijks van durft te dromen. Deze roman is zelfs de inspiratie geweest voor de daadwerkelijk gestichte en bestaande communiteit Twin Oaks.


'T kan verkeren wist Brederoo reeds.

<vorige - volgende>

.

Tuesday, September 1, 2009

Het 'roze olifantjeseffect'

Psychologie van de koude grond
ter lering ende vermaak


Onlangs kwam op mijn werk in een specifieke casus iets ter sprake over de mate van verbaal zijn naar een bepaalde cliënt en welke voorzichtigheid of terughoudendheid daarbij te betrachten.
Daarbij probeerde ik een bepaald mechanisme te illustreren dat ik het 'roze olifantjeseffect' pleeg te noemen bij gebrek aan een ander bekend label plus beschrijving uit de psychologie. Ik kan althans niet zo gauw iets bedenken dat die lading dekt of daar op lijkt, maar ik hou me uiteraard aanbevolen voor betere alternatieven.
Het belang hiervan lijkt me dat het geen sporadisch verschijnsel is maar een veel voorkomende en in mijn optiek een van de grootste verborgen valkuilen in de omgang met matig en licht verstandelijk gehandicapte mensen.

Hoe werkt het?

Wel aldus:
Ik ga u op het hart drukken, nee sterker nog, ik beveel u om toch vooral niet aan roze olifantjes te denken.
Uit mijn stemgeluid en nonverbale signalen en de na-druk-kelijk-heid waarmee ik dit zeg kunt u niets anders dan opmaken dat het mij pure ernst is en dat het van groot belang is.
Over het waarom ervan kan ik op het moment niet al te duidelijk zijn maar neemt u maar van mij aan dat als u wel aan roze olifantjes denkt er van alles en nog wat fout kan en ws. zal gaan en het nog wel eens slecht met u af zou kunnen lopen. Dus het belangrijkste is, en ik kan u dat niet genoeg op het hart drukken, dat u vooral niet aan roze olifantjes denkt.
DUS NIET AAN ROZE OLIFANTJES DENKEN!!!!!!!
begrepen?
Wij gaan verder met wat aan het doen waren en misschien herinner ik u er het komende uur nog eens een of twee keer aan dat we toch vooral niet aan roze olifantjes moeten denken.

En voila bij een volgend samenzijn hoef ik u waarschijnlijk nog slechts te herinneren: u weet het nog wel, he?...sssstt... niet aan denken om u roze olifantjes voor de geest te toveren.
Of alleen al mij zien triggert de reactie: ojee daar heb hem weer met zijn roze olifantjes. Of simpelweg het horen van mijn naam of de gedachte aan mij blijken al genoeg.
Of allerlei associatieve elementen als, stel u voor, dat u eerste keer of meerdere keren dat ik het ter sprake bracht net suiker in u koffie deed of vul maar in wat dan ook uw aandacht trok; al die zaken kunnen bij een volgende gelegenheid zomaar even de gedachte aan die vermaledijde roze olifantjes weer even oproepen.

Misschien was u aanvankelijk nog zo welwillend en naïef om te denken: ok jij je zin, ik zal er niet aan denken, maar dat blijkt u doorgaans niet helemaal te lukken.
De wrange grap is natuurlijk dat u nooit aan roze olifantjes gedacht zou hebben als ik er niet over begonnen was.
En de andere wrange grap is dat als ik dit mechanisme niet doorzie, ik in alle ernst zou kunnen volhouden dat het niet mijn schuld is dat u in weerwil van mijn verwoede pogingen om u daar van te weerhouden toch aan roze olifantjes blijkt te denken. Nee ik heb u nou juist nog zo gewaarschuwd; maar u bent eigenwijs, niet luisteren, he!

En nu mag u voor 'roze olifantjes' zelf van alles en nog wat in vullen.
In geval van de betreffende cliënt ben ik ervan overtuigd dat hij in zijn leven talloze keren ondanks uitdrukkelijke waarschuwingen en donderpreken vooraf toch ongewenst gedrag vertoond heeft dat mede langs bovenbeschreven lijnen ontstond.

Het is natuurlijk meestal een duivels dillema in de zin dat je wilt of moet iemand soms iets duidelijk maken om hem/haar en de omgeving nare ervaringen te besparen maar de vraag is hoe dat te doen in specifieke gevallen.
Wie daar iets zinnigs over weet te zeggen is nu aan de beurt. Ik ben een en al oor.

P.S. Meer aan mijn werk in de gehandicaptenzorg gerelateerde onderwerpen en kwesties zijn te vinden onder dat vak van mij of een vak apart.