Showing posts with label reductionisme. Show all posts
Showing posts with label reductionisme. Show all posts

Thursday, April 3, 2014

Qualia, vleermuizen en kleur

Wat het verband tussen die zogeheten ‘qualia’ en kleur is zal de meeste onder ons, neem ik aan, wel duidelijk zijn.

Maar hoe zit het dan met het verband tussen de qualia en vleermuizen? Daarvoor moesten we eerst maar even bij Thomas Nagel te rade gaan. Nagel publiceerde in 1974 een fameus artikel onder de titel ‘What is it like to be a bat?’
Daarin stelt Nagel dat wij ons bij ontstentenis van het unieke perspectief en de ervaring (the point of view) van de vleermuis ons niet echt kunnen verplaatsen in de beleving van een vleermuis. Zo worden vleermuizen de wereld bijvoorbeeld in belangrijke mate gewaar door echolocatie, een zintuigelijke ervaring die ons vreemd is. vleermuis De technische aspecten van echolocatie kunnen wij wellicht verstandelijk of wetenschappelijk doorgronden en we kunnen op grond daarvan zelfs complexe technologieën ontwikkelen aldus ook gebruik maken van echolocatie.
Maar daarmee kunnen we in de verste verte nog niet bevroeden hoe het voor de vleermuis is en voelt om zo’n organisch gegeven proces als vitaal onderdeel van je mentale constitutie en make-up te hebben. Een, zoals gezegd, organische gegevenheid die je enerzijds ondergaat en waar je anderzijds gebruik van maakt om je weg in het leven te vinden en het eigen leven vorm te geven.

Het of een leven zonder zo’n zintuigelijke basis is niet goed voorstelbaar. En daarmee zitten we dan midden in het vraagstuk van de qualia en hun constitutieve rol in ons bewustzijn.

Zo’n verhaaltje als dat van Thomas Nagel om je eens voor te stellen of in te denken hoe het is om ... of als …, wordt ook wel een gedachte-experiment genoemd en geldt zo’n beetje als een van de belangrijkste stukken werktuig in de ogenschijnlijk verder niet zo rijk gevulde gereedschapskist van de wijsgeer of de filosoof.

Nog zo’n bekend gedachte-experiment inzake de qualia is ‘What Mary didn’t know’ van Frank Jackson.
Jackson vraagt om ons eens voor te stellen dat Mary opgroeit, leeft en haar scholing ontvangt in een volledig achromatische wereld, waar alles uitsluitend in zwart-wit en alle grijstinten wordt waargenomen.
Zo leert ze alles wat er te weten valt over de fysische, chemische en neurofysiologische aspecten van de wereld, de mens en het samenspel tussen beiden. Ze weet ook alles over kleur, dat wil zeggen, ze heeft uitgebreide kennis het elektromagnetisch spectrum, van de geleiding, breking en reflectie van het licht, van onze fysiologie van het kleuren-zien middels de staafjes en de kegeltjes in het oog en de verdere verwerking daarvan in de hersenen. Kortom, je zou haar een wandelende encyclopedie kunnen noemen en ze weet er in ieder geval meer van dan jij en ik en nog wat lieden bij elkaar.
Ze kent natuurlijk ook de diverse namen van alle kleuren, weet binnen welke golflengtes en trillingswaarden ze vallen en weet ook dat kleurziende mensen de lucht en de zee doorgaans als blauw benoemen, de meeste bladeren als groen en bloed als rood.
frequentie spectrum De vraag is dan: weet Mary nu echt alles - of zoveel er menselijkerwijs gesproken te weten valt - over kleur of ontbreekt er nog een belangrijk en mogelijk essentieel onderdeel aan haar kennis?
Wanneer Mary bijvoorbeeld na enkele tientallen jaren intensieve studie in de materie van de menselijke zintuigelijke waarneming, waaronder het kleurenzien, opeens zelf voor het eerst kleur zou kunnen zien, zou ze dan reageren met: ja natuurlijk, dat begreep of vermoedde ik wel dat het er zo uit zou zien of zou ze toch versteld staan van wat die authentieke ervaring haar zou doen en nog voor nieuws zou leren?
Dat is namelijk de vraag die Jackson ons stelt: leert Mary hier toch nog iets nieuws? Zo, ja dan wist ze blijkbaar toch nog niet alles met al haar uitgebreide (en objectieve?) kennis over de fysieke aspecten van onze wereld. (The Knowledge Argument)
Ik zou toch denken dat Mary de gewaarwording zou hebben dat op het moment van de daadwerkelijke ervaring - om een bijbelse uitdrukking te bezigen - ‘haar, als het ware, de schellen van de ogen vielen’.

Het is me toch wat met die kwestie van de qualia.
Filosofen en wetenschappers breken er het hoofd over, schrijven er talloze artikelen over en voeren verwoede discussies over het belang en de status van die qualia.
Het gaat dan ook over ons menselijk bewustzijn, over de reikwijdte van de wetenschap, over reductionisme en de verhouding tussen geesteswetenschappen en natuurwetenschappen, over de status van wat wel 'spiritualiteit' genoemd wordt en zomeer en daarmee, zou ik zo denken, toch vooral ook over ons mens- en wereldbeeld.

Monday, March 8, 2010

Het behaviorisme (2)

In mijn werk gelden enige bekendheid met en kennis van de gedragstherapie en het behaviorisme bijna als standaard en vereiste. Ik vraag me overigens af of dat inmiddels niet overal het geval is geworden; ik vermoed het haast.
Wie ooit programma's als Schatjes heeft bekeken moet toch al enigszins ingevoerd raken in de gedragstherapeutische beginselen.
Dat belonen en negeren de voorkeur verdient boven straffen lijkt waar het opvoeding en vorming betreft ook gemeengoed te zijn.
Ook in bestuur en management en in het economisch denken staat het vaak bol van verwijzingen naar the carrot and the stick, incentives en what have you.
De dames en heren politici lijken het ook wel over niets anders meer te kunnen praten dan over maatregelen ter stimulering dan wel ter ontmoediging van het een of ander. En iedereen kan zich vast nog een aantal voorbeelden in deze trant voor de geest halen. Het gemiddelde borreltafelgesprek levert wat dat betreft vaak stof ten over op.
Kortom het behavioristische denken lijkt ons denken en het publieke domein zo goed als veroverd te hebben; of zou de mens wellicht altijd in dergelijke termen gedacht hebben en kun je beter zeggen dat de behavioristen gewoon een aantal 'common sense' noties theoretisch onderbouwd hebben?

Het behaviorisme als psychologische school was in de eerste plaats toch een reactie op en een afzetten tegen de duitse bewustzijnspsychologie en de psycho-analyse in een poging om de psychologie op natuurwetenschappelijke leest te schoeien.
In essentie komt dat er op neer dat men zich richt op causale verbanden tussen stimuli en observerbaar gedrag en zich niet met vage dingen als gemoedstoestanden, intenties of onbewuste drijfveren wenst bezig te houden.
Elke gedragstherapeutische interventie is in principe een puur technische aangelegenheid een experiment in de vorm van een N=1 onderzoek.
Voor de nodige nuances en haken en ogen zie Behaviorism en Radical behaviorism.

Zoals eerder betoogd kleeft aan het behaviorisme altijd min of meer het aureool van de kille mechanistische kijk op de mens. Dit hangt veelal samen met de radicale en reductionistische uitgangspunten.
Bovendien werd de representanten van deze richting nogal eens onethisch gedrag verweten wat dan weer afstraalt op de hele beweging.
Zo herinner ik mij vanuit een opleiding veel kritiek en verontwaardiging van medestudenten bij o.a. de behandeling van het nederlandse standaardwerk: Inleiding tot de gerdagstherapie van J.W.G. Orlemans. Daarin werd melding gemaakt van de toepassing van aversietherapie om homoseksueel gedrag af te leren in de V.S..
Nu wil ik ten faveure van de gedragstherapie opmerken dat het bij dit soort ethische kwesties in principe zo is dat de gedragstherapie sec een techniek is en geen verborgen normatieve oordelen over gedrag, de (on)wenselijkheid daarvan of normaliteit in zich draagt hetgeen in iets als bv de psychoanalytische praktijk vaak wel het geval is; welk gedrag er wordt nagestreefd wordt in overeenkomst en samenspraak tussen cliënt en behandelaar bepaald.
Dit lijkt toch haast een ideale situatie in zake de ethische weging en toelaatbaarheid van een therapie en de doelstellingen ervan. Alleen daar waar sprake is van dwang en/of wilsonbekwaamheid worden dergelijke vragen weer problematischer.

Een ander heikel punt is/was de aversietherapie en de electro-aversietherapie (EAT) in het bijzonder. In Nederland kreeg deze behandelingsmethode vooral bekendheid door onderzoek en toepassing door Duker en Seys uit Nijmegen.
Zie EAT. Deze vorm van therapie wordt met de uiterste zorgvuldigheid en terughoudendheid toegepast zoals in het geval van ernstig zelfverwondend gedrag.
Hoewel ik wel degelijk geloof in de effectiviteit van deze therapie zou ik hem zelf niet willen toepassen/uitvoeren. En dat niet omdat ik zo'n goeie vent zou zijn maar eerder omdat ik mezelf niet goed zou vetrouwen met alle vereiste zorgvuldigheidsmaatregelen.
Daarbij vrees ik dat ik mezelf al gauw de onwetende en nietsvermoedende proefpersoon in een vergelijkbaar experiment als dat van Milgram zou wanen.


Hoe dan ook zijn het behaviorisme en de gedragstherapie vooral in de vorige eeuw bijzonder invloedrijk geweest in de psychologie en op de praktijk van de therapie.
Dat laatste mede door de heldere en concrete toepasbaarheid ervan gecombineerd met goede en zichtbare resultaten.


<vorige - volgende>