Showing posts with label Bert Keizer. Show all posts
Showing posts with label Bert Keizer. Show all posts

Tuesday, April 5, 2016

Over 'Spaghetti' en wat wij niet kunnen weten

Bert Keizer schrijft een column in het maandblad Filosofie. Vorige maand droeg die column de titel: Spaghetti. Met in de linkerkantlijn de vetgedrukte tekst:
De relatie tussen mens en wereld is als die tussen een rooster en de vormeloze pasta die daardoorheen geperst wordt
Het is een geknede samenvatting van wat Kant te melden had over 'de dingen zelf' ofwel het 'ding an sich'. Daarna haalt Keizer Bertrand Russels reactie hierop aan en zegt dat Russel door een wc-raampje aan de achterkant naar binnen klimt, één loszittend schroefje verwijdert en het hele ding zakt geruisloos ineen. Keizer besluit met: In het dagelijks leven verandert vervolgens niets, maar toch had ik dit niet willen missen.

Doet me een beetje denken aan de meeste politieke discussies en het referendum van morgen met dien verstande dat dat laatste we toch zouden kunnen missen als kiespijn.

Dit gedeelte ging overigens over filosofie. Keizer begon zijn stukje met:
Filosofie kan niet zonder het dagelijks leven, maar dagelijks leven redt het wel zonder filosofie. Daarom doen we eerst dagelijks leven.
En daarin zegt hij laatst eens te hebben gehoord dat
een dispuut tussen twee theologen lijkt op twee kale mannen die om een kam vechten.
Om deze mooie zin had ik de column van Keizer nou niet willen missen!

Maar het doet me wederom denken aan dat vermaledijde referendum van morgen dat zowel het vertrouwen in de politiek als de democratie beslist geen goed zal doen.

Sunday, November 9, 2014

P.S.-je van Bert Keizer

Behalve de week van de kloven en de week van de muur was het toch ook een beetje de week van het regelmatig terugkerende gemor over onze collectieve ouderenzorg en in dat verband meer specifiek voor staatssecretaris van Rijn de week van het vervagen van de grens tussen het politieke en het persoonlijke.

Hier dan nog even een P.S.-je over die laatste kwesties. Een P.S.-je is zoiets als een nog even wat en ook even het vooralsnog laatste woord. En Bert Keizer mag, wat mij betreft, voorlopig wel even het laatste woord hebben in het debat over en onze ongemakkelijke houding ten aan zien van de ouderenzorg.
Gisterochtend werd ik wakker met de kijk van Bert Keizer op deze kwesties.
Couldn't agree more!

Tuesday, April 17, 2012

Tja ... waar blijft ie dan? (4)

Niet alleen de ziel van Cornelis blijkt zoek te kunnen raken. Er lijken opeens veel meer mensen op zoek naar de ziel. Bert Keizer doet daar een boekje over open in: Waar blijft de ziel?



Daarin roept hij nog even in herinnering dat ooit de hele wereld en alles daarin ons als bezield voorkwam. Om vervolgens te verhalen hoe Plato de ziel tot dergelijke hoogten deed stijgen dat hij voor vele stervelingen nauwelijks nog bereikbaar leek. Aan hoe het christendom die hoge vlucht in haar leer en de geloofsbeleving integreerde worden overigens weinig of geen woorden vuil gemaakt. (voor de plek en de lotgevallen van de ziel in de religie kan men op het blog van Huub Mous het een en ander vernemen)
Alle aandacht gaat dan uit naar de weergave van het lichaam-geest probleem volgens Descartes en in zijn spoor de verwetenschappelijking van ons wereldbeeld. Dat mondt dan uit in wat Keizer 'neurosofie' en 'de neurosofen' noemt en die bij monde van Dick Swaab de gewraakte stelling poneren: wij zijn ons brein.



Keizer vindt dat evenals velen, mijzelf incluis, maar een armetierig mens- en/of wereldbeeld waar de ziel wel helemaal uit verdwenen lijkt.
Om een al te reductionistische visie wat te weerspreken en enig zicht op het karakter van die wegkwijnende ziel te krijgen roept Keizer in zijn betoog de hulp van Ludwig Wittgenstein en Alva Noë in.



Wittgenstein om het hardnekkige misverstand te ontkrachten dat de wederwaardigheden van ons bewustzijn of de roerselen van onze ziel per definitie en in ultieme zin een particuliere aangelegenheid zouden zijn of om Wittgenstein te citeren:


Een 'innerlijk' proces heeft een uiterlijk criterium nodig.


en


Het menselijk lichaam is het beste beeld van de menselijke ziel.



Alva Noë is de auteur van Out of Our Heads: Why You Are Not Your Brain, and Other Lessons from the Biology of Consciousness (2009) waarin hij een nog wat wijdere context voor de ziel biedt dan het lichaam, zonder daarbij ten hemel te stijgen. Volgens Noë, die zich evenals Keizer tegen het neuroreductionisme keert en een specifieke belangstelling toont voor de neurologische aspecten en de dynamiek van onze waarneming is het zo dat:


Het waarnemend bewustzijn komt voort uit onze verknooptheid met de wereld.


Dat bewustzijn is niet een ding maar iets dat we doen en vereist zowel een brein, als een lichaam en (wat nogal eens vergeten of onderbelicht wordt) een wereld.

Keizer beschrijft een en ander redelijk boeiend en beeldend in dit boekwerkje uitgebracht door de Stichting Maand van de Filosofie. Hij is bepaald ook geen wereldvreemde salonfilosoof, wel tevens verpleeghuisarts waardoor hij met enig gezag zijn stellingen/gedachten kan illustreren aan de hand van ervaringen met dementie, aftakeling, ontluistering en dillema's rond coma-gevallen.



De strijders tegen het neuroreductionisme kunnen altijd wel op enige sympathie en bijval rekenen van gelovigen, romantici en nog wat welwillende verdwaalde zielen als mijzelf. Maar het heeft toch ook vaak iets van een wat Don Quichot-achtige onderneming want er komt nooit iemand terug met een ziel onder zijn arm als trofee of met een signalement of met een GPS-locatie van de ziel en zo wordt de vraag waar de ziel nu (ver)blijft telkenmale maar niet afdoende beantwoord.

Of om met de laatste zinnen van Bert Keizer te besluiten:


Zodra we ons terugtrekken uit de biologische problemen rond eten, paren, drinken, slapen, vechten en in het verlengde daarvan bruggenbouw, lijkt het wel alsof we met het verkeerde gereedschap aan de gang gaan. Iedereen weet dat he cartesiaanse dualisme een onmogelijk standpunt is, maar tot nog toe heeft niemand een ander standpunt weten te formuleren. Je hoopt op een sluier te stoten tussen geest en lichaam, maar keer op keer blijken we voor een muur te staan. Waarschijnlijk is de deur pal achter ons, maar is er een nieuw filosofisch talent voor nodig om ons om te draaien.
Misschien vindt u dat ik het probleem veel te laag plaats met een term als 'verkeerd gereedschap'. Ik zeg het zo omdat ik niet geloof dat we hier aan de rand staan van een of ander diep mysterie. Wat is er zo mysterieus aan het genot van een lekker ijsje op een hete dag?
Maar wij weten, na al die eeuwen van nadenken over onszelf, nog steeds niet goed te zeggen wie of wat wij zijn.

Tuesday, April 10, 2012

Zielespraak (1)

Sinds zo'n jaar of twee is ondergetekende ziel op de hoogte van het feit dat in ons taalgebied ooit de maand van de filosofie uitgeroepen werd. Sindsdien schaf ik mij in de maand april een exemplaar van Filosofiemagazine aan. De derde op rij dus alweer; na 'De vrijheid' en 'Het echte leven' mag 'De ziel' zich er nu in verheugen tot het thema van de maand van filosofie uitgeroepen te zijn.

En de nacht van de filosofie zal dan ook naar verwachting volgepraat worden met zielespraak. Deze arme ziel zal dat gesprokene daar en dan niet aanhoren maar zich hoogstwaarschijnlijk als gewoonlijk te ruste leggen voor het laatste woord daar gezegd is.

Ik zal het moeten doen met het aprilnummer van Filosofiemagazine en het Vervolg-katern van de Volkskrant getiteld: Lang leve de ziel.



De ziel, zo maak ik uit het een en ander op, schijnt nogal aan inflatie onderhevig, om niet te zeggen zo goed als zieltogend, te zijn. We hebben het er gewoon niet meer over en dat komt mede of vooral door de overdaad aan neuropraat.
Met name neurowetenschappers met als blijmoedige kop van jut (altijd prijs) de 'bestselling' onderzoeker Dick Swaab lijkt deze teloorgang te worden aangerekend. Swaab noemt zichzelf heel toepasselijk 'neurocalvinist'. Hij zegt namelijk altijd heel welwillend tegen iedereen: als iemand me iets van een ziel kan laten zien als neurofysiologisch fenomeen, graag; maar zolang dat niet het geval is, zie ik het als een hersenspinsel, een troostrijk of in andere zin functioneel hersenspinsel wellicht maar niettemin niet meer dan een prettige illusie.
Een deel van de goegemeente roept dan: ja, wij zijn dus ons brein; zie maar wat de professor erover zegt. Een ander deel van de goegemeente maakt enig tot ernstig bezwaar tegen de stelling van deze verder zo bescheiden, innemende en vriendelijke man.
Namens hen doet Bert Keizer (ja die) het woord en verdedigt de ziel en de stelling dat wij toch echt wel iets meer dan ons brein zijn. Hij vergelijkt de ziel met de stemming op het feestje.
Deze discussie vormt dan het uitgangspunt en de achtergrond bij de vraag naar de ziel.



Waar Swaab aan het woord is, komt ook altijd al snel het gewicht en het bereik van de zogeheten 'vrije wil' ter sprake. In de VKVervolg inleiding maakt Pieter Klok gewag van een merkwaardige, opvallende en al geruime tijd in de maak zijnde tegenstelling tussen (neuro-)wetenschappelijke en politiek-maatschappelijke ontwikkelingen inzake hoe we die 'vrije wil' en de 'eigen verantwoordelijkheid' bezien en waarderen. De wetenschap kent of dicht ons steeds minder 'vrije wil' toe terwijl de politiek druk doende is ons steeds meer 'eigen verantwoordelijkheid' toe te kennen en op te dringen.
Is wetenschap dan toch ook gewoon maar een mening waar de politiek zich derhalve niets aan gelegen hoeft laten liggen?

Dan lijkt de ziel nog een bijzondere betekenis te hebben en een specifieke rol in menige religieuze context te spelen. Hier krijgt de ziel het eeuwige leven toegedicht en wordt het construct/vehikel om het leven na de dood te verklaren en plausibel te maken.



In Filosofie Magazine mag Alain de Botton onder de titel 'Troost voor de ziel' een pleidooi houden voor religieuze zielzorg, ook of met name voor atheisten. De tekst van het artikel is een selectie uit zijn boek: Religie voor atheïsten, Een heidense gebruikersgids.
De Botton put hierbij vooral uit de christelijke traditie omdat zij als geen ander zich bekommert heeft over de ziel en altijd gericht is geweest op het koesteren van onze ziel, haar gerust te stellen, te troosten en de weg te wijzen.

Een dergelijke gedachte spreekt mij wel aan en daar kan ik wel sympathie voor opbrengen.

Het interessantste een meest doorwrochte artikel in FM over de ziel vond ik toch zondermeer het interview met de Leidse filosoof Gerard Visser. Volgens hem zijn wij toch wel iets meer dan ons brein. En hij zegt daar ondermeer:

De ziel is in het westerse denken ten onder gegaan aan de illusie van haar kenbaarheid


Wie iets zinnigs over de ziel wil vernemen kan ik dit interview beslist aanraden. Ik ga niet proberen het samen te vatten maar ben zo vrij hier de laatse vraag met antwoord weer te geven:



De geest zit volgens u niet in het brein?

Ik zou het willen omdraaien. Is het brein niet een intermediair van de geest, net zoals het feestje van de stemming?
Neem een neuropsycholoog die schrikreacties onderzoekt. Heeft hij vrees of angst te pakken als deze reacties op zijn beeldscherm ziet oplichten? Nee, het eerste en het laatste blijft de vrees of de angst zoals wij die daadwerkelijk voelen. Het bang of angstig zijn.
Het woord 'ziel' staat voor het hele ondoorgrondelijke veld van iemands herkomst en bestemming. Huist dat in ons, of huizen wij in dat veld? Zoals Carlos Drummond de Andrade dichtte: “O, mijn ziel, verlaten zuster, troost je mij bewoond te hebben,/ zo niet ik het was die jou bewoonde.”

Sunday, February 21, 2010

Onverklaarbaar bewoond

De zondagochtend levert wat mij betreft vaak de meest onderhoudende tv van de hele week op.
Helaas heeft 'Vrije Geluiden' onlangs een gedaante-verwisseling ondergaan die deze bewering weer wat teniet doet. Van mij mag Hans Flupsen het roer weer gauw overnemen.
Het daarop volgende programma 'Boeken' is qua inhoud gelukkig niet veranderd.

Vanmorgen werd daar ondermeer Bert Keizer bevraagd over zijn boek 'Onverklaarbaar bewoond'. Een prachtige en treffende titel voor een boek dat gaat over de altijd intrigerende en al evenzeer ongrijpbare verhouding cq verbinding tusssen lichaam en geest.
Bert Keizer is arts, filosoof en schrijver en schrijft een wekelijkse colum in Trouw.

De vraag naar de verhouding lichaam/geest lijkt misschien een wat zwaarwichtige of onmogelijke vraag. Geen vraag die betrekking heeft op het leven van alledag maar eerder iets waar filosofen, of andere lieden die niets beters te doen, hebben ingewikkelde of zweverige redeneringen op kunnen botvieren.
Maar is het echt zo'n ver-van-mijn-bed vraag?

Als ik zie hoe er in de (gezondheids)zorg al sinds jaar en dag gewoonlijk gerapporteerd wordt, dan komt de vraag daar bijna dagelijks terug.
Bijna overal wordt er nl in een aantal categorieën gerapporteerd en welke veelheid of indeling men daarbij ook hanteert, ze beginnen onveranderlijk met de kopjes: lichamelijk/fysiek en daartegenover dan psychisch.
Het zal een ieder die iets met verslaglegging in de zorg van doen heeft bekend en ws. ook volslagen zinnig en logisch voorkomen.

Enige tijd geleden zou ik eens in de dagelijkse rapportage melding maken van een cliënt die in een toestand van positieve opwinding iemand iets over de telefoon wilde zeggen en door de opwinding een spasme rond de mond kreeg waardoor hij geen woord kon uitbrengen.
Ik moest me naar aanleiding daarvan toch wel even achter de oren krabben, me afvragend: meld ik dit nu onder het kopje fysiek of onder het kopje psychisch.
Toen ik mijn gedachten hier nog eens wat verder over liet gaan wist ik zo nog een paar vergelijkbare voorbeelden voor de geest te halen en begon het mij te dagen dat deze twijfel vaak al iets zegt over de aard van het voorval of probleem in kwestie.
Bij triviale kwesties dringen dergelijke vragen of twijfels zich zelden of nooit op; het is juist als het de moeite waard is en er toe doet, bij belangwekkende en interessante kwesties dat de dingen op het snijvlak van lichaam en geest lijken te spelen en de interactie tussen beide zichtbaar wordt of vragen oproept.

En dan lijken hoogdravende filosofische vragen zomaar een stuk minder hoogdravend en zou je weer denken dat ze hun oorsprong toch gewoon in het leven van alledag blijken te vinden.

Dick.