Showing posts with label Wittgenstein. Show all posts
Showing posts with label Wittgenstein. Show all posts

Tuesday, October 21, 2014

Over kleur (1) en taal

Over kleur
Zo luidt ook de Nederlandse titel van de gebundelde opmerkingen over kleur door ene Wittgenstein.
In een recensie in de Volkskrant van 8 augustus over de pigmentententoonstelling ‘Making Colour’ wordt Wittgenstein naast Goethe, Aristoteles, Kandinsky, Vasari en Cennini genoemd als iemand die iets over kleur te melden had. Uiteraard hebben veel meer lieden wel opmerkelijke en blijvend interessante ideeën over kleur te berde gebracht.
De kritische conclusie van de recensie door Wieteke van Zeil was dat in genoemde expositie het effect van kleuren op de menselijke perceptie, de kleurenpsychologie en symboliek nauwelijks of niet aan bod komen. Kortom dat dit derde element van kleur, naast de natuurwetenschappelijke en de kunsthistorische kant, er als een stiefkindje van af komt.
Ik heb die pigmentententoonstelling (lang woord, hè; leuk scrabblewoord maar je hebt heus nog langere) niet bezocht en heb daar ook geen uitgesproken mening over. Kielpigmentpotjes Niet alleen in de kunst wordt kleur nogal eens aangewend om een bepaald punt te illustreren. Dat gebeurt her en der en telkenmale weer. Zo ook in dit vragen(v)uurtje waar emeritus hoogleraar Jan Rispens kleur als voorbeeld (hier tussen 11 en 13 min.) neemt om aan te tonen hoe hopeloos ambigu onze alledaagse taal toch is ten opzichte van de wetenschappelijke taal van meetbare en kwantificeerbare grootheden.
frequentie spectrum
Al dat vage gepraat over, neem nou, bijvoorbeeld citroengeel of licht geelgroen; wat kun je daar als, op wetenschappenlijke exactheid en precisie gestelde geest of, onderzoeker nu mee? Nee dan kun je toch veel beter uit de voeten met iets als pakweg een frequentie van 510 tetrahertz, een golflengte van pak em beet 572 nanometer en nog wat parameters in de trant van lichtintensiteit, verzadiging en dergelijke! Of niet dan? Spectrumfreq
Mocht de toon hierboven doen vermoeden dat ik me maar ten dele in deze argumentie van Rispens kan vinden en zijn verder bijzonder gloedvolle betoog in dit geval toch even wat kleurlozer vind, dan wil ik dat wel beamen.
Nu haast Rispens zich ook al om er zelf op te wijzen dat die wetenschappelijke grootheden toch beslist ook wel weer in onze alledaagse taal terug vertaald moet kunnen worden.
Maar, zul je denken, nu gaat het inmiddels toch niet meer over kleur maar over … taal en wetenschap (hier de orthopedagogiek). Ja, da's waar denk ik dan … alhoewel dan moet ik toch ook even denken aan iets dat Jacques Heijkoop in een eerdere HMiG aflevering (hier tussen 15 en 17 min.) opmerkte:
Diagnostiek is natuurlijk ook belangrijk, want als iemand slechtziend is, moet hij een bril krijgen. Maar daarna houdt het op, want dan heb je een persoon – met al zijn beperkingen – die bepaalde dingen in de krant leuk vindt. En dáár ligt je aansluiting bij de persoon.
Dat belicht toch maar eens temeer dat het juist onze alledaagse taal en de gewone dagelijkse omgang en communicatie zijn die het leven zijn ware glans en kleur moeten geven. Inverted_qualia_of_colour_strawberry Ervaring, taal en beleving. Probeer die maar eens uit elkaar te halen en te houden; dat zal je vast niet altijd lukken en/of even gemakkelijk afgaan. Zeker niet als het kleur of andere qualia en onze, al dan niet kleurrijke taal betreft.
De wereld om ons heen kleuren doen we blijkbaar niet uitsluitend met de verfkwast maar ook met de taal!.
.
Wie denkt dat kleur en taal niet veel met elkaar van doen hebben zou eens moeten kijken hoeveel tongen de zogeheten pietendiscussie los weet te maken en hoeveel woorden en vergelijkingen er daarbij over en weer gaan en dat 'all because the color of his skin' om maar weer eens een paar woorden van Dylan aan (en mogelijk ietwat uit z'n verband) te halen.
What do you think about that, my friend?

Friday, May 31, 2013

Wenen

Nee, we hoeven niet meteen te gaan huilen nu … maar de bestemming van onze voorjaarsvakantie was dit jaar eens niet Arcen en de baden maar onder andere een stedentrip naar Wenen. Praterriesenradpano Maar wat denkt een mens dan toch in Wenen te moeten zoeken of te vinden? Wel Wenen staat, om maar eens wat te noemen, bekend om zijn koffie, zoals de Wienermelange. Verder schijn je, behalve alle mogelijke koffiespecialiteiten, in de vermaarde Weense koffiehuizen ook uitstekend taart te kunnen nuttigen zoals de fameuze sachertorte of apfelstrudel. Voor de doorgewinterde of door de paneermeel gehaalde vleeseter is er dan altijd nog de Wiener schnitzel of de Weense worstjes en daar Wiener dog nadrukkelijk toch wat associaties met genoemde worstjes op pleegt te roepen, is het ook de bijnaam geworden voor de teckel of dashond. Van de, als nors bekendstaande, inwoners van Wenen wordt ook wel beweerd dat ze in verband met de te verwachten (over)last ook eerder een hond dan een kind zouden nemen. Dat zou ik maar niet al te serieus nemen want de stad telt nog altijd zo’n 1,7 miljoen inwoners en levert nog altijd volop vertier voor ook de jeugd. Zoals bijvoorbeeld in het Wiener Prater. Let wel het Wiener circus is in dit verband een beetje een topografische blindganger want als je dat zou willen zien moet je toch echt niet in Wenen maar bij onze zuiderburen zijn; maar Wenen heeft wel weer een naam hoog te houden waar het de dressuur van paarden betreft. Ook aan de liefhebber van de zogenoemde ‘hogere cultuur’ heeft Wenen het nodige te bieden. Zoals de Weense wals of een bezoek aan de Wiener Staatsoper, waar de vele als Mozart of diens tijdgenoten verklede straatventers de als toerist ogende voorbijganger toe trachten over te halen. Of je kunt in de musea de nalatenschap van de Weense secession aanschouwen. Mozartlookalike Van de rijke geschiedenis van Wenen is mij niet zo bijster veel bekend maar als je Wenen zegt schieten mij in eerste instantie namen te binnen als Klimt, Kokoschka, Schiele, Freud, Wittgenstein en Popper. Namen uit het fin de siècle of het belle époque. Dat woelige en roerige tijdperk van decadentie of ‘conspicuous consumption’ door de adel en de allerrijksten, sociale onvrede, maatschappelijke en politieke onrust. Destijds golden Wenen en Parijs op dit continent bij uitstek als broedplaatsen voor allerlei nieuwe en moderne ideeën. Ideeën die een nieuwe tijd zouden inluiden en van grote invloed zouden zijn op het nu dominante en ons zo bekende moderne levensgevoel. Wat zochten en deden wij daar dan zo’n honderd jaar later? Wel we vonden dat we wel weer eens toe waren aan een stedentripje en de keus viel dit keer op Wenen, waar ik overigens nog niet eerder geweest was. We waren er maar vrij kort; vier nachten en dus slechts drie volle dagen. Daarin kwamen we de eerste avond in de St Stephansdom terecht onder wat ongebruikelijke omstandigheden. Verder wandelden we er door de stad en onder andere over het Prater en de Naschmarkt. We bezochten een enkele musea waaronder de Berggasse 19. We aanschouwden de (schöne blaue?) Donau en het Hundertwasserhaus. We troffen daarbij overwegend mooi weer; de laatste avond begon het echt(er) te regenen, maar toen zaten wij net lekker binnen te eten. Ons hotel lag vlak bij het slot Schönbrunn, maar het ontbrak ons helaas aan de tijd om daar ook nog een kijkje te nemen. Berggasse19

Tuesday, April 17, 2012

Tja ... waar blijft ie dan? (4)

Niet alleen de ziel van Cornelis blijkt zoek te kunnen raken. Er lijken opeens veel meer mensen op zoek naar de ziel. Bert Keizer doet daar een boekje over open in: Waar blijft de ziel?



Daarin roept hij nog even in herinnering dat ooit de hele wereld en alles daarin ons als bezield voorkwam. Om vervolgens te verhalen hoe Plato de ziel tot dergelijke hoogten deed stijgen dat hij voor vele stervelingen nauwelijks nog bereikbaar leek. Aan hoe het christendom die hoge vlucht in haar leer en de geloofsbeleving integreerde worden overigens weinig of geen woorden vuil gemaakt. (voor de plek en de lotgevallen van de ziel in de religie kan men op het blog van Huub Mous het een en ander vernemen)
Alle aandacht gaat dan uit naar de weergave van het lichaam-geest probleem volgens Descartes en in zijn spoor de verwetenschappelijking van ons wereldbeeld. Dat mondt dan uit in wat Keizer 'neurosofie' en 'de neurosofen' noemt en die bij monde van Dick Swaab de gewraakte stelling poneren: wij zijn ons brein.



Keizer vindt dat evenals velen, mijzelf incluis, maar een armetierig mens- en/of wereldbeeld waar de ziel wel helemaal uit verdwenen lijkt.
Om een al te reductionistische visie wat te weerspreken en enig zicht op het karakter van die wegkwijnende ziel te krijgen roept Keizer in zijn betoog de hulp van Ludwig Wittgenstein en Alva Noë in.



Wittgenstein om het hardnekkige misverstand te ontkrachten dat de wederwaardigheden van ons bewustzijn of de roerselen van onze ziel per definitie en in ultieme zin een particuliere aangelegenheid zouden zijn of om Wittgenstein te citeren:


Een 'innerlijk' proces heeft een uiterlijk criterium nodig.


en


Het menselijk lichaam is het beste beeld van de menselijke ziel.



Alva Noë is de auteur van Out of Our Heads: Why You Are Not Your Brain, and Other Lessons from the Biology of Consciousness (2009) waarin hij een nog wat wijdere context voor de ziel biedt dan het lichaam, zonder daarbij ten hemel te stijgen. Volgens Noë, die zich evenals Keizer tegen het neuroreductionisme keert en een specifieke belangstelling toont voor de neurologische aspecten en de dynamiek van onze waarneming is het zo dat:


Het waarnemend bewustzijn komt voort uit onze verknooptheid met de wereld.


Dat bewustzijn is niet een ding maar iets dat we doen en vereist zowel een brein, als een lichaam en (wat nogal eens vergeten of onderbelicht wordt) een wereld.

Keizer beschrijft een en ander redelijk boeiend en beeldend in dit boekwerkje uitgebracht door de Stichting Maand van de Filosofie. Hij is bepaald ook geen wereldvreemde salonfilosoof, wel tevens verpleeghuisarts waardoor hij met enig gezag zijn stellingen/gedachten kan illustreren aan de hand van ervaringen met dementie, aftakeling, ontluistering en dillema's rond coma-gevallen.



De strijders tegen het neuroreductionisme kunnen altijd wel op enige sympathie en bijval rekenen van gelovigen, romantici en nog wat welwillende verdwaalde zielen als mijzelf. Maar het heeft toch ook vaak iets van een wat Don Quichot-achtige onderneming want er komt nooit iemand terug met een ziel onder zijn arm als trofee of met een signalement of met een GPS-locatie van de ziel en zo wordt de vraag waar de ziel nu (ver)blijft telkenmale maar niet afdoende beantwoord.

Of om met de laatste zinnen van Bert Keizer te besluiten:


Zodra we ons terugtrekken uit de biologische problemen rond eten, paren, drinken, slapen, vechten en in het verlengde daarvan bruggenbouw, lijkt het wel alsof we met het verkeerde gereedschap aan de gang gaan. Iedereen weet dat he cartesiaanse dualisme een onmogelijk standpunt is, maar tot nog toe heeft niemand een ander standpunt weten te formuleren. Je hoopt op een sluier te stoten tussen geest en lichaam, maar keer op keer blijken we voor een muur te staan. Waarschijnlijk is de deur pal achter ons, maar is er een nieuw filosofisch talent voor nodig om ons om te draaien.
Misschien vindt u dat ik het probleem veel te laag plaats met een term als 'verkeerd gereedschap'. Ik zeg het zo omdat ik niet geloof dat we hier aan de rand staan van een of ander diep mysterie. Wat is er zo mysterieus aan het genot van een lekker ijsje op een hete dag?
Maar wij weten, na al die eeuwen van nadenken over onszelf, nog steeds niet goed te zeggen wie of wat wij zijn.

Sunday, April 18, 2010

Filosofie; angelsaksisch versus continentaal? (6)

Bijna traditioneel maakt men, zoals eerder vermeld, vaak een onderscheid tussen de angelsaksische en de continentale filosofie. De angelsaksische traditie wordt dan veelal vereenzelvigd met de analytische- of taalfilosofie en de continentale traditie kan dan bv. de fenomenologie, de hermeneutiek, het existentialisme of de kritische theorie vertegenwoordigen.
Nu worden deze twee tradities daarbij vaak als onverenigbare en tegengestelde benaderingen voorgesteld. Ik wil aan de hand van twee voorbeelden illustreren dat de soep, volgens mij, ook hier niet zo heet als hij opgediend wordt gegeten hoeft te worden.

De twee voorbeelden zijn de fenomenologie en de conceptuele analyse uit de gewone-taal-filosofie.
Beiden zijn van bepalende invloed geweest op de ontwikkeling van de (theoretische) pedagogiek in Nederland.

De fenomenologie geldt als een invloedrijke loot aan de continentale stam van de filosofie. Belangrijke namen zijn o.a. Brentano, Husserl, Heidegger en Merleau-Ponty (en dat is geen druivensoort!). De fenomenologie heeft grote invloed gehad op de sociale wetenschappen. Zo is in ons land de naam van de utrechtse school bekend in kringen van pedagogen en in de ontwikkeling van de zwakzinnigenzorg. Termen of begrippen als leefwereld, structuur en pedagogische relatie stammen uit deze school. Langeveld die misschien een beetje als de godfather van de Nederlandse pedagogiek mag gelden is hier de bekendste naam.

De kern van de fenomenologie komt er steeds op neer dat zuiver objectieve kennis van de werkelijkheid illusoir of op zijn minst problematisch is omdat zoals Kant reeds opmerkte het ding-an-sich niet rechtstreeks voor ons kenbaar is. De aandacht in de subject-object-relatie wordt verlegd naar de gerichtheid van het bewustzijn ofwel de intentionaliteit.



De fenomenologie wordt wel gezien als een kritiek op de vervreemding van de mens. Alle rationalisering en onttovering van de wereld zouden de mens een voor de hand liggende bron van informatie hebben ontnomen: de wereld zoals deze voor ons ligt, de directe ervaring ervan. De fenomenologie wordt binnen de wetenschapsfilosofie geclassificeerd als het domein van de beleving.


Citaat uit Wikipedia



Uit de koker van de analytische filosofie komt een stroming onder de naam Ordinary-Language Philosophy ofwel de gewone-taal-filosofie. Austin en Ryle zijn hier bekende namen ern als grote inspiratiebron geldt de onvermijdelijke en latere Wittgenstein.
Hier hanteert men de zogenaamde conceptuele analyse om helderheid te krijgen in welke begrippen er onder ons alledaagse vaak vage, slordige en dubbelzinnige taalgebruik schuilgaan; en hoe de begrippen zich tot elkaar verhouden en of ze al dan niet onderling enige logische consistentie vertonen.

In de Nederlandse pedagogiek werd deze op Ludwig georiënteerde benadering in het bijzonder gepropageerd en gepraktiseerd door Spiecker en Steutel aan de pedagogische faculteit van de V.U. te Amsterdam.
De conceptuele analyse als wetenschappelijk instrument vond hier de nodige erkenning en navolging.
Aan het artikel: 'Conceptuele Analyse als Empirische Methode' van Bas Levering te oordelen is deze benadering nog immer actueel.

De aandacht van Spiecker en Steutel betrof in het bijzonder de 'morele opvoeding'; iets dat in de laatste decennia van de vorige eeuw bepaald niet van het inspelen op trends of van een 'sexy uitstraling' beticht kon worden.
Thema's en begrippen die zij aldus onder de loep namen waren ondermeer pedagogische grondbegrippen als de pedagogische relatie, de rol van emoties in de morele ontwikkeling zoals de rationele emoties schuldgevoel en schaamte en onderwerpen die verband houden met seksualiteit en opvoeding.

Om eens even een compact voorbeeld bij de kop te nemen:
Ben Spiecker constateert dat we vaak het woord/begrip ontwikkeling in twee onderscheiden betekenissen door elkaar gebruiken zonder dat onderscheid te maken en/of duidelijk te maken over welke variant we spreken.
Zo is er een soort ontwikkeling die teweeggebracht moet worden en vrij strak geregisseerd, gestuurd en geleid dient te worden om geslaagd te mogen heten. Hier is de metafoor van de boetserende beeldhouwer van toepassing.

Maar er is ook een soort ontwikkeling dat vrij autonoom plaatsgrijpt maar waarvan de wasdom wel kan variëren met de omstandigheden en de mate waarin het gefaciliteerd wordt. Hier is de metafoor van de tuinman die zijn plantjes op de juiste plek zet en water geeft van toepassing.
Een helder onderscheid tussen beiden kan veel spraakverwarring voorkomen en onze blik en onze kennis in de juiste richting sturen.

De fenomenologie en de conceptuele analyse dus.
Ze kunnen zonder al teveel moeite als tegenpolen gepresenteerd en afgeschilderd worden.
En in Laagland's pedagogenland zijn ook de nodige diepgravende discussies gevoerd over de voors en de tegens van beiden. Toch lijken ze elkaar daar net zo goed te kunnen vinden als te kunnen bijten.
Wat mijzelf betreft vind ik een bepaalde overeenkomst het meest in het oog springende.
Die overeenkomst is dan dat ze in hun pretentie de werkelijkheid of de sociale werkelijkheid te doorgronden en te beschrijven beiden expliciet een bepaalde bescheidenheid in acht nemen
Beiden erkennen niet rechtstreeks zicht en vat op die werkelijkheid te hebben en beiden richten de aandacht in eerste instantie op iets dat medieert tussen onze beeldvorming en de werkelijkheid zoals onze zintuigen, ons bewustzijn, de taal en ons begripsvorming.
Zo worden ze in mijn boekie van tegenstanders tot medestanders.

Zoals Brederoo heeeeel lang geleden al opmerkte: 't kan verkeren.
Bedoelen ze dat nou met dialectiek?