Showing posts with label praktijk. Show all posts
Showing posts with label praktijk. Show all posts

Thursday, March 1, 2012

Theorie en praktijk

Zo heb je het, naar aanleiding van wat onheilsvoorspellingen, eens wat over orakels en zo verzeil je door het vaderlandse voetbal-orakel Cruijff en via zijn kennen en kunn(st)en in allerlei overwegingen en gedachtekronkels rond het thema theorie en praktijk.

En voor ik het weet, heb ik daar zomaar één, twee, drie, vier, vijf blogjes over vol geleuterd. Welbeschouwd gaan natuurlijk wel meer van mijn blogjes over die spanning tussen theorie en praktijk.
Een thema dus dat mij klaarblijkelijk wel bezig kan houden.



Kennen en kunnen, denken en doen, theorie en praktijk
of welke woorden je eraan wilt geven, lijken vooral nauw met elkaar verweven, zich op verschillende niveaus voor te doen en zich als tegenstelling voor te kunnen doen maar ook naadloos in elkaar over te kunnen gaan. Dat laatste geldt doorgaans als het ideaal.

Het onderwerp leent zich uitstekend voor wat luchtfietserij en weidse beschouwingen maar wordt in concretere gevallen ook wel als problematisch en dicht op de huid ervaren.
Je hoort dan wel spreken over: 'de weerbarstige praktijk' of we zeggen: 'het leven is sterker dan de leer'. In het Engels zegt men: 'practice what you preach', maar dat blijkt niet altijd even gemakkelijk en dat doen we ook bepaald niet altijd.



Bezie de politiek, de economie, de media, het openbare leven en het publieke debat. Voorbeelden ten over waar het één geroepen of beweerd wordt terwijl het ander wordt gedaan. We zeggen en vinden (bijna?) allemaal dat openheid en oprechtheid bevorderd en gestimuleerd zou moeten worden en zie hoe het zogenaamde klokkenluiders in ons landje vergaat! Toch een flagrant voorbeeld van het ene zeggen en het andere doen, nietwaar?
Één voorbeeld dat zich gemakkelijk tot een indrukwekkende reeks laat aanvullen.
Sommige politici spelen hier graag op in en willen ons wijsmaken dat daar onder hun bezielende leiding snel een eind aan zou komen. Tja .. en da geleufde gij ..?

Maar die scheurtjes en kloven tussen theorie en praktijk worden wellicht interessanter naarmate we ze dichter bij huis aantreffen en we zelf mogelijk nog een rol kunnen spelen in het verminderen van die ongerijmdheden.
Zoals in het dagelijks leven of bijvoorbeeld in je werk. Want welk vak kun je vandaag de dag nog uitoefenen of welk werk doen zonder een stevige theoretische op- of inleiding daartoe?



In mijn werk stuit ik in ieder geval met de regelmaat van de klok op een waaier van vragen en kwesties rond het thema theorie en praktijk.
Ik heb in de loop van zo'n slordige dertig jaar althans kennis mogen maken met een scala aan uiteenlopende min of meer omvattende theoriëen en allerlei deeltheorietjes die elkaar soms weerspraken en elkaar op andere momenten wel leken aan te vullen. Variërend van het quasi exacte strenge behaviorisme tot iets als het wat minder gemakkelijk te definiëren Gentle Teaching, dat overigens als een reactie op een rigide behavioristische benadering gezien kan worden. En dan natuurlijk de veelheid aan theoriëen daartussen en daar omheen; zoals theoriëen die zich richten op de dynamiek van de sociaal-emotionele ontwikkeling.

Op de werkvloer bestaat ook wel degelijk behoefte aan deugdelijke en dienstbare theorie in de zin dat er daar vaak gevraagd wordt naar handvatten en richtlijnen om een acceptabele en werkbare praktijk te realiseren.
Want on Lewin maar weer eens aan te halen: Er is nog altijd niets zo praktisch als een goede theorie!

En ook als wij op de werkvloer situaties met de cliënten in het geheel niet door de bril van Freud of Skinner, van Piaget of McGee of welke theoreutemeteut dan ook bezien, dan nog hebben we altijd wel gedachten en veronderstellingen m.b.t. waarom cliënten op enig moment doen wat ze doen, met welke intentie en uit welke beweegredenen. En dergelijke aannames werken samen met onze inschattingen over het karakter en temperament van de ander simpelweg als onze theorie over de werkelijkheid, zij het dat zulke particuliere theorieën geen mooie duren namen dragen en we ze eerder eufemistisch als theorietje zouden bestempelen.

Niet zelden meen ik dat wij onderling in teams dit soort particuliere theorietjes en gedachten veel te spaarzaam uitwisselen, bespreken en toetsen aan gangbare theoriëen. Sommige mensen houden blijkbaar niet zo van teveel praten, zoeken en aftasen of vinden dat niet zo'n professionele indruk maken. Ik meen dat het juist de basis van onze professionaliteit vormt en bovendien onmisbaar om je te kunnen verantwoorden voor en verantwoording te kunnen en durven nemen door je handelen.
Voor mij vormt het simpelweg het antwoord op de vraag of je echt wilt weten waar je mee bezig bent en waar je naar toe wilt werken!



Vaak zie je echter dat inzicht in het werk van begeleiders wordt verward of ingewisseld voor het kennen en nauwgezet volgen van de regels en protocollen. Je ziet dan ook steeds vaker dat verantwoording afleggen soms niets meer te maken heeft met de vraag of je begrijpt waar je mee bezig bent en in specifieke situaties handelt met het oog op de belangrijke hoofddoelen maar steeds meer synoniem wordt met de vraag of je wel netjes volgens de regeltjes gehandeld hebt. Dat onderscheid lijkt soms aardig onder te sneeuwen met de tendens om alles dusdanig te reguleren, in protocollen te vatten en te controleren dat er niets meer fout kan gaan.
Dan vergeten we voor het gemak even dat het woud aan regeltjes dat we in het leven hebben geroepen en waar we ons aan dienen te houden bijna altijd allerlei subdoelen dient en we zo het paard vaak weer achter de wagen spannen. We laten dan en passant ook maar een paar alom aanwezige menselijke eigenschappen en neigingen buiten beschouwing, zoals onze moeite met onzekerheid of iets niet weten, het graag buiten schot willen blijven als er iets niet goed gaat en hoe comfortabel het dan is om je te kunnen verschuilen achter iets als regeltjes.

Nu kan het volgens mij niet anders dan dat je een beetje dom en/of apatisch wordt van het kritiekloos en wezenloos volgen van regels en bevelen zonder je af te vragen welk doel ze dienen. En ik vind me zelf wel dom genoeg; ik wil niet nog dommer worden en heb dus wel eens wat vragen.

In zo'n cultuur kan het toch niet bevreemden dat zaken af en toe wat uit de klauwen lopen en zomaar weleens in hun tegendeel gaan verkeren. Brederoo waarschuwde er al voor.
En kijk om je heen op je werk, in de economie, de politiek en hoe wij het leven willen managen; je ziet er overal voorbeelden van. Een bijzonder illustratief en inzichtgevend voorbeeld hiervan is het ijs- en sneeuwdebâcle onlangs op de Nederlandse Spoorwegen, dat helder aantoont welke belachelijke en onnodige ontsporingen een stelletjes systeemautisten met wat monomaan mismanagement weten te bewerkstelligen en hoe dat in zijn werk gaat.



De uitspraak van Lewin zou je dus evengoed om kunnen draaien: er is niets zo dom en onpraktisch als een halfbakken, ondeugdelijke slabberdewatski theorie.

Ik vrees echter dat er in ons maatschappelijk en economisch bestel nogal wat van dat soort theorie in omloop is. Bovendien steekt onze werkelijkheid zodanig in elkaar dat we vast nog heel lang en heel vaak en heel veel zullen horen over die spanning tussen theorie en praktijk.

Friday, January 20, 2012

Wat dan te doen?

Geen gebrek dus aan handelings- of praktijktheorieën en bijbehorende veelal cyclische modellen, in de sociale- en aanverwante wetenschappen, voor wie er behoefte aan mocht hebben of er naar op zoek is. Je zou misschien ook gewoon je boerenverstand kunnen gebruiken. Zelf voel ik toch niet zelden wel enige behoefte aan wat overleg, structuur en/of richtlijnen ten aanzien van de vraag: en wat doen we nu dan? Dat heeft vast wat te maken met het feit dat ik graag ook een beetje begrijp wat ik (of we) zoal aan het doen zijn en met welk oogmerk dat dan is. Helaas ben ik af en toe lichtelijk verstrooid en ook wel eens een beetje vergeetachtig. Zo weet ik, als verpleegkundige, bijvoorbeeld al niet meer hoe die verpleegkundige cyclus nu ook alweer in elkaar stak.



Zelf heb ik echter ook weleens mijn gedachtenkronkels over dergelijke richtlijnen. En zoals in wel meer kwesties denk ik dat we, ook in deze materie, bepaald niet gebaat zijn met krachtdadig klinkende of voorbarige antwoorden maar wel en vooral met het stellen van de juiste vragen. Zo hou ik er soms een eigen interpretatie van de regulatieve cyclus op na. Die bestaat, wat mij betreft, dan de uit volgende drie eenvoudige vragen die mede dankzij het hoge gehalte boerenverstandslogica dat er nu eenaal aan kleeft, dunkt me, toch niet moeilijk te onthouden moeten zijn.



Vraag 1: Wat of waarheen?

Ofwel wat wil je eigenlijk bereiken? Een vraag die zich niet in alle gevallen voldoende laat beantwoorden maar in een dergelijk geval kun je je doelen altijd wel formuleren in termen van welke richting wil je op of waar wil je heen?

Vraag 2: Hoe?

Ofwel hoe denk je dat te bereiken? Wat verwacht je dat er aldoende zal en zou kunnen gebeuren en welke middelen en/of methode verkies je in verband daarmee?

Vraag 3: Lukt het een beetje?

Sta af en toe eens stil bij wat je doet ofwel las zo nu en dan eens een evaluatiemoment in. Conclusies als: zo gaat goed of iets naar links of rechts bijsturen of dit werkt gewoon niet dus we moeten iets heel anders proberen, zorgen dan voor het cyclisch karakter omdat ze je weer terug kunnen brengen bij vraag 1 of 2.



Eenvoudiger kan het toch niet? Bepaald niet wat je 'rocket-science' zou noemen.
Dit lijkt me zo ongeveer het kale geraamte, de 'backbone' en de 'bottom line' van elke methodologische benadering van ons handelen. Het absolute minimum als we handelen nog rationeel en methodisch willen noemen. Niks geen toeters of bellen.
Alles wat je er meer bij zou willen zien, in/op specifieke situaties/momenten nodig acht kun je er volgens mij altijd wel ergens tussenschuiven, inbouwen of aanhangen.



Zo lijkt methodologie, althans die van het praktisch handelen en het methodisch antwoord op de vraag 'wat te doen?', toch weer relatief eenvoudig, nietwaar?
Je hoeft er geen cursus voor te volgen, geen moeilijke boeken voor te lezen en ik vraag hier ook helemaal geen geld voor. Waar vind je nog zoiets vandaag de dag?
Je moet alleen wel bij de toepassing en de uitvoering ervan je gezonde boerenverstand gebruiken, dan lijkt enig succes me toch wel verzekerd!



In eenvoud toont zich ......

ook als het gaat om de verhouding tussen theorie en praktijk,

en volgens mij blijft ook in al die andere cycli, met soms wel erg mooi klinkende theoretische termen, het gezonde verstand toch nog altijd de belangrijkste leidraad bij toepassing ervan in de praktijk!

Tuesday, January 17, 2012

Cycli en wat zoal te doen


Het leven wordt veelal gekenmerkt en getekend door cycli. Van sommige cycli moeten we nog maar afwachten wat ze ons gaan brengen. Orakels, zieners, wetenschappers en economen en een ieder die zich daartoe geroepen voelt kan en mag zich aan voorspellingen in die zin wagen. Daar is, zoals dat heet, wel een markt voor. En bepaalde cycli geven blijkbaar aanleiding tot de nodige onzekerheid.



Met andere cycli zijn weer we redelijk tot bijzonder goed vertrouwd zoals bv. de getijden van het jaar, het verstrijken van de dag en de nacht en een voor de meeste van ons vertrouwde en terugkerende indeling van de week. Deze cycli bieden structuur in de tijd. Daaraan kunnen we ons overgeven en door mee laten nemen in vertrouwd en terugkerend ritme en regelmaat. Als we tenminste niet al teveel moeite hebben met dat ritme en het tempo.



Ook in de sociale wetenschappen kennen we twee cycli die zich tussen de polen van onzekerheid en zekerheid begeven en daarmee enige naam verworven hebben.

Hier doel ik op de empirische cyclus van A. d. de Groot en de regulatieve cyclus van van Strien.
Daarmee belanden we dan weer midden in de vraagstukken rond de verhouding, danwel het onderscheid tussen theorie en praktijk.
De empirische cyclus beoogt richtlijnen en criteria te leveren voor theorievorming en het verkrijgen van theoretische kennis.

De regulatieve cyclus daarentegen is bedoeld om ons handelen in de praktijk op rationele wijze te ondersteunen en richting te geven.


Daar ik een ietwat theoretisch ingestelde dromer ben en het nagenoeg altijd wel tijd is dat ik ook eens in actie kom en ook eens wat doe, ben ik nu vooral even geïnteresseerd in die tweede cyclus, die pretendeert ons in de dagelijkse praktijk van dienst te kunnen zijn.
De regulatieve cyclus dus die ook in de orthopedagogiek nogal eens genoemd wordt of werd en waar ik en mijn collega's in het werk wellicht nog iets van op kunnen steken en ons voordeel mee kunnen doen.

Even googelen levert wel iets op maar niet zo gek veel. Het blijkt dan met enig kunst- en vliegwerk ook nog tot een hulpverlenings-, een diagnostische- en een therapeutische cyclus omgebouwd te kunnen worden. Wat me bij dit gegoogel het meest opvalt is dat het bij die regulatieve cyclus toch vooral om een Nederlands onderonsje lijkt te gaan. Het zal toch niet zo zijn dat over de grens alles van een leien dakkie gaat, ze daar nooit problemen ondervinden, geen vragen hebben en geen beslissingen hoeven te nemen?
Op welke gronden en volgens welke criteria neemt men buiten ons land dan beslissingen en kiest men zijn route? Ze zullen daar toch in zo'n geval niet weer orakels zijn gaan raadplegen?



Nog wat gegoogel en wat hersengekraak doet me vermoeden dat ik het in de richting van Action research of Participatory action research en Experiential learning moet zoeken. Daar kom ik dan namen van mensen als Kurt Lewin, Paolo Freire en David Kolb tegen.

Kurt Lewin was de eerste die veranderingsprocessen beschreef als een proces of cyclus van unfreeze-change-freeze; terminologie die nu vooral onder managers en coaches gebezigd lijkt te worden.

David A. Kolb, niet te verwarren met die andere David Kolb, is voortbordurend op en geïnspireerd door o.a. John Dewey, Jean Piaget, William James en Kurt Lewin verantwoordelijk voor het ogenschijnlijk drukst besproken en meest aangehaalde cyclisch model van ervaringsleren en de Kolb Learning Style Inventory.
De diensten en de tools van Kolb's EBLS Inc. lijken populair en aftrek te vinden in zowel het onderwijs als in het bedrijfsleven. Het komt me ook wel voor als een zinnige benadering om diverse aspecten te belichten en mee te nemen bij het vormgeven van training, onderwijs en instructie.


Wat het ook altijd goed doet in mangementkringen is de kwaliteitscirkel c.q. -cyclus van W. Edwards Deming ofwel de PDCA-cyclus. Die is dan ook volop te vinden op het web der wetenswaardigheden.


Vanguard bij monde van John Seddon maakt daar, omdat men het in kringen van system's thinkers wel handig acht dat je ook weet waar je als organisatie en als systeem mee bezig bent, de kortere variatie check-plan-do van.


Ja, zo heb je wat van die handelingstheorietjes en -richtlijnen met allemaal hun cyclische modelletjes. Hier zomaar een greep uit het assortiment en ik heb geen idee hoeveel anderen er nog de ronde zouden kunnen doen. Het begint me inmiddels al wel bijna te draaien voor de ogen. Het lijkt wel een mallemolen met al die ronddraaiende cycli.

Toch wil ik nog één zo'n ding naar boven googelen namelijk de verpleegkundige cyclus. Grofweg zo'n 30 jaar geleden volgde ik een opleiding Z-verpleegkunde waarin een enthousiaste verpleegkunde-docent haar best deed om dat verhaal over die cyclus er bij ons in te stampen en het tot onze verpleegkundige catechismus en tweede natuur te maken.
Nu ben ik die toch helemaal vergeten hoe die ook al weer ging en ook even googelen levert helaas nauwelijks iets op. Zou nou net de cyclus die mijn beroep moet ondersteunen in de vergetelheid geraakt zijn? Is dat nou even pech hebben!
Ik vermoed toch dat het gewoon weer een variatie op de regulatieve cyclus geweest moet zijn.

Een mens heeft af en toe wat richtlijnen en wat sturing nodig, nietwaar? Een warhoofd als ik in ieder geval wel. Gelukkig heb ik mijn eigen variatie op de regulatieve cyclus altijd nog en immer paraat, als ik niet vergeet er op het juiste moment aan te denken tenminste. Bij een vorige gelegenheid doopte ik deze heel hoogmoedig en zelfingenomen de criteria van Kruithof en bij een volgende gelegenheid zal ik ze nog eens uit de kast halen en oppoetsen. meer cycli >>

Tuesday, November 9, 2010

John McGee (3); de werkwijze

Het eerste deel van de middag gaf John McGee zijn algemene en globale visie zoals ik die hiervoor heb trachten weer te geven.
Na de pauze kwam er eerst een moeder aan het woord die een van de dagen daarvoor getuige was van hoe McGee met haar zoontje gewerkt had. Daarna liet McGee een reeks fragmenten zien uit allerlei videos waarop te zien was hoe hijzelf met mensen aan het werk was, terwijl hij die beelden van commentaar voorzag.
De eerste video was op mijn werk opgenomen en betrof een vrouw die ik mij herinner als klein meisje alweer bijna dertig jaar geleden (het was voor mij overigens hoogstfrappant om te zien hoezeer haar gedrag, mimiek en reacties mij nog bekend en welhaast voorspelbaar voorkwamen). Bij deze video werd ook reactie gegeven door direct betrokken begeleidsters.
Verder volgde er een serie fragmenten van vrij recent tot lang geleden en vanuit Porto Rico tot Paraguay.

McGee werkt vooral met en kan naar eigen zeggen eigenlijk alleen maar werken met mensen die in de meest erbarmelijke omstandigheden verkeren en in extreme mate angstig, afwerend en ontoegankelijk zijn.

Wat je in de video's ziet is dat hij mensen bijzonder omzichtig benaderd en contact zoekt met langzame weloverwogen bewegingen, rustig en langzaam en met veel herhalingen sprekend.

De 'tools' die McGee telkens benoemt en benadrukt als de middelen om op basaal niveau contact te maken, onvoorwaardelijke acceptatie te tonen en vertrouwen te winnen zijn:

je woorden en je stem
je handen en je gebaren
je ogen en je blik
je aanwezigheid


Het is bijzonder om op de video's te zien hoe McGee vaste begeleiders versteld kan doen staan door te laten zien dat bepaalde moeilijk benaderbare of handelbare personen wel degelijk zonder opvallende dwangmiddelen of voorzorgsmaatregelen benaderbaar blijken, tot positief wederzijds contact in staat blijken, zijn nabije aanwezigheid tolereren of wel samen een eindje met hem willen wandelen.
McGee laat middels het videomateriaal zien hoe hij werkt en geeft voorbeelden van en uitleg bij zijn werkwijze. Hij zegt ook dat ieder zijn eigen weg daar in moet vinden en dat zijn weg ook een leerweg en bewustwording van vele jaren was. Zo liet hij bv. een oudere video zien waarop hij telkens de hand van een klein meisje vastpakte en stuurde. In het begeleidend commentaar corrigeerde hij dit echter, refererend aan uitlatingen van even daarvoor, met de woorden dat dat zo niet zou moeten en dat hij dat zo nu niet meer deed.

Gentle teaching is voor mij aan het eind van deze middag inderdaad wat ik aan het begin van de middag reeds vermoedde dat het zou zijn. Mijn sympathie voor de insteek en de benaderingswijze is zo mogelijk nog iets groter geworden maar mijn vragen en voorbehoud zijn onverminderd dezelfde gebleven.
De boodschap of de intentie en de werkwijze zijn, dunkt mij, erg met elkaar verweven en dat maakt het blijkbaar moeilijk de werkwijze of methodiek concreet te benoemen of te schematiseren. John McGee vergelijkt de manier van doen in deze video met hoe we baby's bejegenen en zegt dat 'most or all of it is just common sense' om daar aan toe te voegen 'which tends to be the least common of all senses'. Alle mensen die ermee werken, een training gevolgd hebben of de training geven die ik ernaar gevraagd konden mij ook niet in heldere bewoordingen erg veel meer duidelijkheid bieden over de methodische aspecten van GT en zeiden zoiets als: wacht maar tot je de training hebt gehad, dan snap je het wel of dan zie je wel dat het werkt.
Als de 'proof of the GT pudding' zoals ik eerder suggereerde inderdaad 'in the eating is' rest mij nog weinig anders dan daar maar op te wachten.

Tenslotte nog even John McGee zelf aan het woord over het hoe en het waarom van gentle teaching.

Tuesday, August 10, 2010

Een reddende engel?

Voordat Ger met zijn vele vragen acte-de-presence gaf, waarvan akte in het vorige stukje, was er in die episode al een aardige stoet aan inval- en uitzendkrachten voorbijgekomen. Ik had in die tijd weleens het gevoel dat ik als eerstejaars-leerling samen met een vers-gediplomeerde, agogisch geschoolde collega de tentstokken overeind en de tent draaiende liep te houden. Wij vroegen dan ook herhaaldelijk om stevige en vooral ervaren (inval-) krachten. Ik voelde als groentje en als leerling ook zeker de behoefte aan collega's die mij eens iets diets wilden maken en mij een beetje de weg konden wijzen en waar ik iets van zou kunnen leren.

En op een zeker moment leek de redding nabij. Er zou een kei van een verpleegkundige komen via het uitzendbureau; iemand met A + B diploma en bovendien ervaring in een ver buitenland in de ontwikkelingshulp. Eindelijk iemand waar we op konden bouwen en waar we iets van zouden kunnen leren. Ik had haar zelf de eerste twee diensten ingewerkt en had daar extra veel werk van gemaakt omdat zo zorgvuldig en zo volledig mogelijk te doen als investering in de nabije toekomst. Daarna ging ik met vrije dagen en toen ik na een dag of wat weer begon hoorde ik tot mijn verbijstering dat ze net de dag daarvoor haar biezen had gepakt omdat de spanning haar teveel was. Dag, exit super-verpleegkundige dus.



Na een aantal weken herhaalde zich nagenoeg eenzelfde scenario. Er stond weer een kanjer van een verpleegkundige op de rol; wederom met A + B diploma op zak en met ruime ervaring op de crisisopvang. De verwachtingen waren wederom hoog gespannen en hoopvol en wederom besteedden we extra aandacht en energie aan het inwerken van deze kracht. Ik weet niet meer of ze het een dag langer of een dag korter uithield dan haar voorgangster, maar ook deze veelbelovende kracht liet het na een aantal dagen afweten omdat de spanning teveel bleek.

Het heeft mij destijds in hoge mate verbaasd en lange tijd geïntrigeerd dat deze ervaren en goed opgeleide lieden het niet op ons groepje konden bolwerken. En deze keien in het vak lieten ons zomaar achter op een bijna zinkend schip. Hoe was zoiets nu toch mogelijk?



Meer dan een jaar later kwam daar iets van een antwoord op en hoor ik eens van een B-verpleegkundige die het hier wel wist te bolwerken dat het hem niets verbaasde. Want, zo vertelde hij, in de B (psychiatrie) zien wij dit soort spanningen, escalaties en uitbarstingen van geweld gewoonlijk aankomen en passen ons werk en onze werkwijze daar op aan. Zo'n spanningsopbouw kan dan wel dagen duren alvorens het tot een, al of niet uitgelokte of geforceerde, uitbarsting of ontlading komt. Er wordt daartoe ook extra personeel ingezet en allerlei veiligheidsmaatregelen getroffen. Als het echt gevaarlijk en nodig is kan een patiënt wel door twee of drie mensen benaderd worden terwijl er nog eens drie achter de deur staan om indien nodig bij te springen.
Ja bij dergelijke verhalen stond ik wel even met mijn ogen te knipperen en met mijn oren te klapperen. Het klonk mij allemaal een beetje als een filmscenario in de oren.
Bij ons ging zoiets inderdaad effies anders; wij stonden gewoonlijk alleen op een groep en soms op twee groepen; en er vlogen wel eens koffiekannen of tv-toestellen door de ruimte zonder dat er sprake was van een zichtbare spanningsopbouw of dat je het anderszins aan had zien komen. Zo maar uit het niets en dat is dan even schrikken.

Het is wellicht overbodig te vermelden dat ik van deze twee aangekondigde super-verpleegkundigen, die meer uitval- dan invalkrachten bleken, dus echt helemaal noppes heb kunnen leren.
Want zoals Bredero reeds wist te vertellen: het kan verkeren! Nee, geef mij dan maar iemand als Ger, die enige tijd later op hetzelfde toneel verscheen; maar over hem had ik al verteld.

.

Sunday, November 8, 2009

Theorie en praktijk - Er is niets zo praktisch als .....

Ga ik dan nu eens vertellen wat ik zelf zo pleeg te zeggen? Nee dat moest ik maar niet doen!
Ik wil wel weer iemand citeren en nu eens geen familie maar een van de grondleggers van de sociale psychologie, te weten Kurt Lewin.
Van hem is de onovertroffen uitspraak: Er is niets zo praktisch als een goede theorie.
Nu heb ik doorgaans een broertje-dood aan one-liners maar dit is wat mij betreft toch een waarheid als een koe en een uitspraak die getuigt van praktische wijsheid en een verstandige pragmatische instelling. Kortom één om in te lijsten (in een gouden lijstje, uiteraard) en zo nu en dan de gedachten eens over te laten gaan.

Over de verhouding theorie-praktijk valt het nodige te zeggen en er zijn inmiddels vast wel een paar bibliotheken over volgeschreven.
De belangstelling en het belang vanuit wetenschapsfilosofisch perspectief zal duidelijk zijn.
Maar tegenwoordig wordt nagenoeg iedereen op enig moment en in enigerlei mate geconfrontreerd met kwesties rond de verhouding theorie-praktijk en de vermeende of gevoelde kloof tussen beiden. De huidige praktijk van onderwijs en scholing leunt zozeer op de theoretische leerweg en het toetsen op de theorie dat als daar geen nog grotere kloof mee gecreëerd wordt, hij in ieder geval vet onderstreept wordt.
In de meeste werksoorten en arbeidssituaties zien we vernieuwingen en veranderingen doorgevoerd worden in organisatie- en/of communicatiemodellen, werkmethoden, automatiseringsprojecten e.d. die dan, zoals dat dan heet, geïmplementeerd moeten worden en dan zomaar kan blijken dat de theorie van het management niet altijd strookt met de praktijk van de werkvloer. We hebben er allemaal mee te maken en vinden er allemaal wel iets van.

Een veelgehoorde maar weinig vruchtbare opvatting over theorie en praktijk is dat we de theorie beter maar zoveel mogelijk kunnen vermijden en links laten liggen als zijnde filosofisch geneuzel dat de praktijk alleen maar in de weg kan staan. Een tijdverdrijf voor witte boorden en luie mensen, maar niet voor ons pragmatici die van wanten weten.
Dit is uiteraard een niet serieus te nemen notie veelal gebezigd door cynische, domme of verbitterde lieden die vergeten dat hun particuliere opvattingen en verwachtingen ook maar theorietjes over de praktijk zijn en die allang niet meer van zins lijken om die theorietjes ooit nog eens aan de werkelijkheid te toetsen.

De meest gangbare en uitermate vruchtbare opvatting over genoemde verhouding sluit direct aan op de uitspraak van Lewin en getuigt van veel common sense.
Hierbij is de gedachte dat onze theorie(tjes), hoe omvangrijk of hoe miniem dan ook, hoe ingewikkeld en geconstrueerd of hoe simpel dan ook, hoe bewust of hoe onbewust dan ook, een weerspiegeling of model van de werkelijkheid poogt te zijn danwel is.
En dan blijkt er dus geen praktischer navigatiegereedschap om ons in deze wereld te bewegen dan een goede theorie. Simpel; een kind kan de was doen!
En als de dingen gaan wringen, we van koers raken of maar niet vooruitkomen moeten we of onze theorie of onze perceptie van de werkelijkheid blijkbaar eens herzien.
Quasi analoog aan de wil die wel sterk zou zijn maar het vlees dat zo zwak is, wordt nogal al eens gezegd dat de praktijk of de werkelijkheid weerbarstig is; nu toont de werkelijkheid zich vaak weerbarstig omdat hij zo complex is, maar het is natuurlijk ook een mooie kafkaiaanse wending om in geval van een krakkemikkige theorie de praktijk maar weerbarstig te noemen.

Dat verstandig en logisch redeneren en vervolgens de resultaten daarvan toetsen weliswaar noodzakelijk maar niet voldoende zijn om onze wetenschappelijke kennis te funderen betoogt David Deutsch hier op onderhoudende wijze:
De aard van wetenschappelijke verklaringen

Het gaat hier uiteraard over verklaringen betreffende de fysieke wereld en laat Lewin's stelling dat er niets boven een goede theorie gaat natuurlijk onverlet.


In het werk van groepsleiding, verpleegkundigen, activiteitenbegeleiders en therapeuten in de gehandicaptenzorg, jeugdzorg, psychiatrie en aanverwante takken van sport speelt de vertaling van theorie naar praktijk en de terugkoppeling daarvan een grote en alom aanwezige rol in de dagelijkse praktijk.
Denk aan aan Bowlby, Freud of Piaget; denk aan hechtingsstoornissen of hoe iemand met een autistische stoornis de wereld zou ervaren etcetera; er hangt een lappendeken van theorie(tjes) over ons werk.
En dan houden we er nog veelal allerlei persoonlijke opvattingen en inschattingen op na over hoe iemand in elkaar steekt, waar hij of zij behoefte aan zou hebben of het meest gebaat bij zou zijn en welk effect ons gedrag en interventies zouden hebben. En dat zijn natuurlijk net zo goed theorietjes die bevraagd of getoetst zouden kunnen worden. Wellicht allemaal een beetje teveel om van een goede theorie te kunnen spreken.
Toch lenen bepaalde theoretische manieren van kijken naar je werk zich naar mijn smaak bij uitstek voor praktisch gebruik. Zo heb ik de laatste paar jaar, mede gestuurd door persoonlijke ervaringen op het werk, de gewoonte ontwikkeld om te kijken en denken in termen van beheersmodus en ontwikkelingsmodus.
Dat betekent dat ik behalve naar de vermeende behoeften van de client toch ook steeds naar de intentie en het effect van mijn eigen handelen moet kijken.
Ik ervaar dit als een bijzonder nuttig theoretisch kader dat een beetje als een socratische vraagmethode werkt en mijn zicht op de praktijk verheldert.
Daarbij geldt natuurlijk als algemene regel dat het hanteren van en het werken in de beheersmodus nodig kan zijn maar dan een noodzakelijk kwaad blijft en dat daar waar mogelijk onze aandacht en de energie naar de ontwikkelingsmodus gebracht moet worden.

Ik zou zeggen: collega's wellicht is dit zo'n aardig theorietje dat heel praktisch kan blijken in het gebruik. Ik kan het ten zeerste aan bevelen en ik zou graag eens vernemen wat anderen als praktisch bruikbaar theoretisch kader c.q. richtlijn ervaren hebben.


P.S. Meer aan mijn werk in de gehandicaptenzorg gerelateerde onderwerpen en kwesties zijn te vinden onder dat vak van mij of een vak apart.