Showing posts with label agressie. Show all posts
Showing posts with label agressie. Show all posts

Friday, July 26, 2024

Krijgskunstenaar?(2)

 Hoe mijn bemoeienis met en belangstelling voor krijgskunsten annex vechtsport zo tot stand kwam was dus het onderwerp van deze blogjes. De aanvang besprak ik al en de teller staat dan op een een seizoen judo als 10-jarige en bijna drie jaar aikido als verse dertiger. En dat hoegenaamd zonder enige zin in of belangstelling voor vechten. Ik had nooit, ook als kind niet, echt serieus fysiek gevochten of hoeven vechten. Natuurlijk als lagere schooljongen heb ik ook wel met mijn vriendjes gestoeid zoals bijvoorbeeld op de judomat, maar dat was toch meer aftasten en spielerei dan een directe uiting van onversneden agressie.

Dat wil dan weer niet zeggen dat ik nooit met uitingen van agressie of geweld van doen gehad zou hebben of daar ooit  getuige van was. Dat lijkt me het lot van elk mens al kan en zal de mate waarin soms enorm verschillen.  Voor zover ik me dat kan herinneren vond dat meestal maar vreemd en onbegrijpelijk en riep het als emotie angst en/of fascinatie op.

In de tijd dat ik met aikido-training begon kreeg ik beroepsmatig ook met agressie te maken waar ik niet zomaar van kon wegstappen en waar ik gewoon maar mee te dealen had. Over dat werk schreef ik eerder het nodige onder het kopje: dat vak apart. Over agressie op mijn werk heb ik niet zo gek veel geschreven omdat het toch een lastig onderwerp is en blijft. Onversneden agressie raakt ons allemaal hoe dan ook op vele manieren. Slachtoffers zullen zich daar meestal scherp bewust van zijn en vaak van getuigen, geluiden die je van de kant van de daders waarschijnlijk aanzienlijk minder horen.

Kortom agressie en geweld zijn onderwerpen waar boeken over vol geschreven kunnen worden en waar in de menige professionele setting en opleiding nauwelijks of veel te weinig aandacht aan besteed wordt. Over agressie, geweld, zelfverdediging, vechtsporten en vreedzaamheid hebben deze twee heuse krijgskunstenaars een aantal uiterst zinnige dingen te melden. ( luisterversie )

Toen ik halverwege de 80-er jaren in de nachtdienst ging werken kwam ik nog nauwelijks agressie tegen in mijn werk. De meeste aandacht werd toen opgeslokt door een studie pedagogiek. Nog eens een proefles aikido in Hoorn gevolgd maar dat was mij teveel op fysieke kracht en conditie gericht. Verder nog hap-snap wat lessen tai chi in mijn woonplaats bezocht en verder kwam mijn martiale kennis uit een boekje en een artikeltje her en der. 

<<vorige volgende>>

Saturday, July 6, 2013

Agressie op het werk?

Als ik vandaag de dag zo om me heen kijkend toch eens zie, lees of hoor hoe regelmatig en in welke mate bijvoorbeeld ambulance- en verplegend personeel of buschauffeurs en treinconducteurs agressief bejegend, bedreigd of gewoon afgetuigd worden dan denk ik weleens dat ik me wat dat betreft toch maar gelukkig mag prijzen met mijn betrekkelijk vredige baan.
Ja, 't kan verkeren had Brederoo ons ooit al eens laten weten en inderdaad tegen onderhavige kwestie keek ik zo'n dertig jaar geleden toch wel heel anders aan.
Toen ik als leerling (van de toenmalige inservice-opleiding) in de Z-zorg begon te werken kon ik mijn eerste stage op een ouderengroep niet helemaal volbrengen omdat ik als één van het destijds schaarse mannelijke personeel op de werkvloer op een andere groep gewenst was. En op die volgende groep maakte ik al fluks kennis met het soort of type agressie dat zo kenmerkend zou blijken voor deze tak van zorg. agressie2 Op de pas geopende instelling waar ik werkzaam was. had men aanvankelijk bedacht dat de mensen die, zoals dat heette, nogal wat probleemgedrag vertoonde beter over de verschillende groepen/woningen verspreid konden worden. Binnen een half jaar veranderde men (Brederoo indachtig?) 180 graden van mening en werden er speciale groepen gevormd voor zoals ze destijds wel genoemd werden: gedragsmoeilijke bewoners.
En mocht ik, als eerste-jaars-leerling op één van die groepen beginnen. Die groepen stonden onder het personeel ook wel bekend als ‘spannende groepen’ vanwege de hoge spanningsboog i.v.m. de frequente uitbarstingen van agressief gedrag. Daarmee vestigden deze groepen binnen de instelling ook al rap enige reputatie en faam.
Op deze groep raakte ik als beginnende leerling aardig door de wol geverfd, zoals dat dan heet, in het, zo goed en zo kwaad als dat ging, omgaan met en anticiperen op uitingen van agressie zoals die kenmerkend waren voor een bepaalde groep cliënten, toen nog bewoners geheten. Deze leerschool of leergang was bepaald niet wat je noemt vrijwillig of verkozen maar werd door de nood der omstandigheden afgedwongen, niet of nauwelijks op professionele wijze vanuit de instelling begeleid en reddende engelen waren er ook niet echt voorhanden.
Na zo’n anderhalf jaar toch met het nodige enthousiasme, betrokkenheid en inzet op deze groep gewerkt te hebben, heb ik toen toch maar eens om overplaatsing gevraagd. Dat omdat het mij en/of mijn omgeving begon op te vallen dat ik bijvoorbeeld toch wel erg snel en vlot op allerlei geluiden reageerde door direct met mijn handen voor mijn hoofd in een hurkhouding te schieten. Omstanders vonden dat dan maar vreemd gedrag van mij terwijl het mij toch als volkomen normaal voorkwam; ik bedoel, er zal toevallig maar net een volle koffiekan, of iets van dien aard richting je hoofd gegooid worden. stress Natuurlijk voelde en begreep ik wel dat ik aldus bezig was een duidelijke stap richting PTSS of iets van een angst- of stressstoornis te zetten. Het is, naar ik meen, toch weer betrekkelijk goed met me gekomen en inmiddels ben ik banger voor managers dan voor cliënten; haha, die Pieter Duker (vanaf 7m45s) toch. Een en ander verklaart wel deels mijn specifieke belangstelling voor een aantal onderwerpen zoals die op dit blog en elders aangeroerd worden.
Die onderwerpen zijn dan onder andere het voorkomen van(?) en omgaan met agressie in ons werk, de rol van de vecht/vluchtreactie of ons biologisch stresssysteem daarin en hoe wij zowel bij onszelf als zo mogelijk ook bij de cliënt wat emotionele intelligentie, evenwicht en welbevinden zouden kunnen bevorderen.
Als ik op enkele discussies op diverse fora op LinkedIn af mag gaan staan deze onderwerpen behoorlijk in de belangstelling en wordt er op dit terrein momenteel een keur aan trainingen aangeboden en ontwikkeld. De vraag is dan toch hoe omvattend en effectief die zullen blijken op de langere duur?
Agressie en dus ook agressie op het werk kan, zo we weten, een behoorlijke negatieve impact hebben op iemands persoon, leven en welbevinden. Iets daarvan mocht ik destijds proeven en aan den lijve ondervinden. Maar met een knipoog naar die oude Brederoo kan ik nu weer zeggen: ‘t kan verkeren. Nu beklaag ik toch vooral die treinconducteurs, ambulance-personeel en vele anderen die het in hun werk of in het dagelijks leven, in dat opzicht het soms toch heel wat zwaarder te verduren lijken te hebben dan ik. Bredero'smotto Zoals ik met LinkedIn fora als voorbeeld al aangaf wordt er, naar het zich laat aanzien, van diverse kanten hard nagedacht over agressie in de zorg, de mogelijke oorzaken en de mogelijke beteugeling ervan. Nu vermoed ik dat het ook hard nodig is dat we ons aanzienlijk omvattender, intelligenter en doorwrochter over deze thematiek gaan buigen omdat de huidige en komende bezuinigingen en zogenaamde hervormingen en ombuigingen in de zorg anders wel eens indirect de aanleiding tot een toename van agressie zou kunnen blijken. Één van de, naar mijn smaak, intelligentere en doorwrochter visies op agressie en probleemgedrag in zijn algemeenheid wordt hier verwoord door Jacques Heijkoop. Een systemische visie die, dunkt me, bij uitstek op ons werkveld van toepassing is en daar ook wel wat bredere belangstelling en aandacht zou verdienen.
P.S. Gijs van Gemert vatte een en ander kort en bondig samen in de tegeltjeswijsheid: agressie is een gezelschapspel.

Monday, September 10, 2012

Doe eens normaal (3) Brein en stress

Na het genenverhaal vervolgt van Hintum met:



Genetische onderzoeksresultaten kunnen nog altijd op warme belangstelling rekenen van journalisten en het grote publiek, maar het hersenonderzoek is de laatste vijf tot tien jaar echt een hype geworden. Gedrag lijkt pas 'echt' te zijn als de ermee corresponderende hersenactiviteit met behulp van fMRI, een beeldvormende techniek, in de hersenen zichtbaar is gemaakt.


Zo luidde de eerste twee zinnen van het tweede item uit het eerste hoofdstuk: 1.2 Hersenen: een complex en kwetsbaar verkeersnetwerk



Hierin komen, zoals te verwachten, dan de wetenswaardigheden over ons brein aan bod of dat wat ik zomaar eens neuropraat ben gaan noemen.
Onder die wetenswaardigheden ook wat van de welhaast obligate specificaties van dit wonderbaarlijke stukje hardware. Specificaties die altijd imponeren (mij althans) door de veelheid, de snelheid en de onvoorstelbaar grote getallen.
De drift of de teneur van dit onderdeel, waar ik mij wel senang bij voel, laat zich goed samenvatten met de volgende citaten:



De 'hardware' in ons hoofd kent net zo veel individuele variaties als er mensen zijn.

De hersenen zijn een orgaan waarin je gevoel, handelen en denken als het ware worden 'ingeprint'; ze veranderen met en door alles wat je doet, denkt, voelt en meemaakt. Wetenschappers zeggen dan ook dat het brein plastisch is. Hoe het zich ontwikkelt, hangt af van allerlei verschillende maatschappelijke, biologische, gedrags- en leeftijdsfactoren, en verschit van individu tot individu. Er zijn geen twee paar hersenen hetzelfde – zelfs niet die van een eeneiige tweeling.

Bij 'ongelukken' die in de hersenen kunnen plaatsvinden, denken we meestal in de eerste plaats aan een hersenbloeding of -infarct, of aan hersenletsel als gevolg van een val of harde botsing met een vuist of voorwerp. Maar 'ongelukken' ziijn ook traumatische gebeurtenissen zoals het overlijden van een ouder, misbruik en verwaarlozing. De angst en depressie die zulke ervaringen kunnen veroorzaken, hebben net zo goed invloed op het functioneren van de hersenen, en zijn vaak ook terug te zien in de vorming van de 'hardware' in het brein. Daarbij speelt een foute afstelling van het biologische stresssysteem een cruciale rol.



Dat komt me voor als een belangwekkende constatering. Naast de zeer evenwichtige en genuanceerde benadering van het onderwerp laat mijn enthousiasme over dit boek van van Hintum zich vooral verklaren door hoe ze hierin aandacht vraagt voor het belang van dit biologische stresssysteem en het in samenhang en perspectief plaatst. Hetzelfde geldt overigens voor de maatschappelijke oorzaken en inbedding van psychiatrische ziektebeelden.



Dat cruciale biologische stresssysteem staat doorgaans wel bekend als de vecht- of vluchtrespons. Heel toevallig(?) het onderwerp van het eerste schrijfseltje op Dima's Blog zo'n 30 maanden geleden.
Van Hintum:


Onderzoekers veronderstellen dat een niet goed afgesteld en daardoor niet goed functionerend stresssysteembeïnvloedt hoe we ons voelen en gedragen. Dat kont doordat een disfuntionerend stresssysteem structurele veranderingen in de hersenen kan veroorzaken die aan de basis liggen van allerlei psychische stoornissen. Stress lijkt daarmee een belangrijke onderliggende factor voor psychische aandoeningen, en is dat trouwens ook voor chronische lichamelijke ziekten, hart- en vaatziekten en kanker. Precies om die reden wordt er veel onderzoek naar gedaan.


Onze Lieve Heer of de evolutie heeft niet alleen de mens met zo'n alarmsysteem van vecht-, vlucht- of vriesreacties uitgerust. We delen deze uitrusting met andere leden in het dierenrijk. Naarmate het beestje zich wat hoger op de evolutionaire ladder bevindt, wordt het hele systeem wel complexer.
In de dierenwereld schijnen we vooral met een uitermate functioneel overlevingsmechanisme van doen te hebben. Op de vraag welke implicaties dat voor ons mensen als zelfbewuste, cultureelbepaalde en talige wezens heeft, is niet een simpel antwoord mogelijk. Mede omdat er dan naast technische of biologische verklaringen ook altijd morele aspecten meespelen.



Er doet zich ook nogal wat variatie voor in de drempelwaarde en de mate waarin bij verschillende mensen het systeem geactiveerd wordt, hoe het van zich laat spreken en of en hoe het weer tot rust komt. Ik meen van mezelf te weten dat mijn alarmbelletjes betrekkelijk gemakkelijk aan het rinkelen zijn te krijgen.
Sommige mensen ervaren bij het minste geringste of bijna altijd stress terwijl sommige anderen onder geen enkele omstandigheid aangedaan lijken te worden.

Een veel voorkomend gevolg van veel stress en zogeheten korte lontjes of een overspannen of al te rap te triggeren vecht- of vluchtrespons is (misplaatste) agressie en agressief gedrag.
Iets dat, zo we allen weten, niet zelden paniek en/of agressie als reactie oproept en zo gauw in een negatieve spiraal kan uitmonden en veel mensen de nodige last en problemen bezorgt.
Agressief gedrag in de zogeheten openbare ruimte en de zorg daarover lijkt in de loop van mijn leven aanmerkelijk toegenomen. Ik moet er in mijn werk soms wel op beducht zijn en rekening houden met de mogelijkheid of de dreiging van agressie.



< vorige |

Tuesday, February 1, 2011

Beheersmodus versus ontwikkelingsmodus

Ruim een jaar geleden mijmerde ik eens wat over de soms zo moeizame verhouding tussen de theorie en praktijk in: Er is niets zo praktisch als .....
Daarin maakte ik gewag van wat ik maar even mijn praktisch-theoretisch werkmodelletje wil noemen nl. dat van beheersmodus versus ontwikkelingsmodus. De gedachte daarbij is je bewust te zijn of te worden in welke modus je functioneert en daar waar mogelijk de beheersmodus te verlaten en over te stappen op de ontwikkelingsmodus. Nadat recent een klaarblijkelijk vastgelopen situatie kort maar hevig in het nieuws kwam wil toch nog eens trachten wat nader uit de doeken te doen wat ik daar nu mee bedoel.

In het werk van groepsleiding of (ortho)pedagogische begeleiding stuit je regelmatig op situaties die bedreigend zijn of schijnen en derhalve om een vorm van beheersing vragen. Iedereen in dit werk zal vast de nodige voorbeelden hebben gezien van agressie naar personen, materiaal en van automutilatie in geval de agressie naar het zelf gericht is. Deze situaties laten meestal een diepe indruk achter en we willen gewoonlijk niets liever dan herhaling tot elke prijs vermijden. Als we echter al te zeer op het voorkomen en vemijden gespitst raken en dat voor een belangrijk deel onze aandacht en gerichtheid gaat bepalen zitten we dus duidelijk in de beheersmodus.
We proberen gevaarlijke, bedreigende en uit de handlopende situaties te beheersen en dat is soms maar goed en hard nodig ook. Een eigenaardigheidje van ons mensen is evenwel, dat moet toch gezegd, dat we nogal gewoontedieren zijn en het gevaar is meer dan alleen maar denkbeeldig dat deze beheersmodus, vaak ingefluisterd door vrees en ervaring, de gangbare bedrijfsmodus wordt of gewoonte dreigt te worden.



Maar het zijn niet uitsluitend dergelijke heftige situaties die in ons de drang tot beheersing en controle aanwakkeren. Het zit ons toch allemaal een beetje in het bloed. (zie eens wat politici en managers zoal doen; waar ze eer mee in trachten te leggen en applaus en vette beloningen voor vragen)
Het is natuurlijk ook niet per definitie verkeerd om invloed te willen uitoefenen en de dingen een bepaalde kant uit te willen sturen; het tegenovergestelde zou zijn alles maar te laten waaien en laten gebeuren en dat lijkt me ook niet een houding waar we veel waardering voor op zullen kunnen brengen of die we zouden willen stimuleren.
Zo is het vrij normaal in en eigen aan de praktijk van pedagogische begeleiding dat je een kind, pupil of cliënt een bepaalde richting in probeert te sturen en het is al even normaal dat dat niet altijd zomaar een-twee-drie lukt, dat weleens met wat strubbeling gepaard gaat en niet altijd direct vrolijke gezichten zal opleveren.

Vrij gemakkelijk voelen we ons in dit werk nog wel eens persoonlijk geraakt of aangevallen en dan dreigt het al snel hart tegen hart danwel hard tegen hard te gaan. Daar waar het wat heftiger confrontaties betreft en daar waar eisen en verlangens van de machtiger partij stuiten op schijnbare onwil danwel onmacht van de andere partij en waar drang en dwang stuiten op hindermacht, protest en/of agressie is het zinnig en geboden om te bedenken dat degeen waarvan verlangd wordt dat die zich naar onze wensen schikt dat nu net weleens niet zou kunnen omdat hij/zij dat op een veel basaler niveau, dan wij wellicht kunnen bevroeden, het zelf als onoverkomelijk controleverlies kan voelen.

Hoe is de ene modus of wijs dan van de andere te onderscheiden?
Wel vooral intuïtief en door zelfonderzoek, maar dat is wellicht wat te vaag.

Wanneer je als begeleider soms of vaak bezig bent met: sturen, controleren, gebieden, verbieden, dwang en drang toepassen, met beloningen zwaaien en strooien om bepaald gedrag te stimuleren, dreigen met of toepassen van sancties, beperken en inperken van vrijheden en het beperken of afkappen van de onderlinge communicatie, dat alles soms op subtiele wijze en veelal met de bedoeling om gevreesde en ongewenste situaties te voorkomen dan zit je dus klip en klaar in de beheersmodus!

Beheersen en dus de beheersmodus kunnen behulpzaam of soms bittere noodzaak zijn voor de goede orde en om een leefbare en werkbare situatie te creëren. Dus als middel en niet als doel! Het aan doelen werken valt in mijn woordenboekie onder de ontwikkelingsmodus. Het is dan ook geboden de doelen niet uit het oog te verliezen en waar mogelijk de ontwikkelingsmodus de ruimte te geven. Een gevaar of valkuil in ons werk is dat de beheersmodus gewoonte en cultuur kan worden.
Een beheerscultuur verraadt zich voor de goede verstaander in gedrag, pedagogische intentie, sfeer alsmede in de taal die begeleiders en gedragsdeskundigen bezigen, zowel in het algemeen als onderling en in rapportages.



De ontwikkelingsmodus, het spreekt voor zich, kenmerkt zich dan meer door het aan iets werken of naar iets toe werken en dan niet noodzakelijkerwijs of uitsluitend aan cognitieve of sociaal-emotionele ontwikkelingsdoelen op langere termijn alhoewel het altijd mooi is als het daar een vanzelfsprekend onderdeel van zou kunnen heten; maar vooral ook aan het samen dingen doen, door het werken aan een persoonlijke band (zoals bv. in Gentle teaching), een goede sfeer en wat spontane ontspanning door (samen) iets te doen, te maken of teweeg te brengen.

Het gaat hier dus niet om bekende theoretisch gevalideerde of meetbare constructen. Het is meer een karakterisering van iets dat je wel bij jezelf kunt waarnemen en waar je jezelf en elkaar op kunt bevragen. De simpele vraag is wat beweegt jou in je handelen en wat wil en denk je te bereiken met die manier van handelen. In geval van een overwegende beheerscultuur zal die gerichtheid overigens vaak al aan de sfeer te proeven, aan de taal te horen en aan de omgang met elkaar af te lezen zijn.

Ik hoorde Piet de Ruyter ooit eens verkondigen dat de mens in termen van diepere drijfveren en levensgevoel drie basale wijzen van zijn kent die wat door elkaar kunnen lopen maar waarvan er meestal één in min of meerdere mate duidelijk de overhand heeft. Die drie zijnswijzen zijn dan overleven, exploreren en beroepen worden.
De beheersmodus vertoont dan een sterke overeenkomst met de toestand van het overleven. Het wordt enerzijds vaak door de zijnswijze van overleven ingegeven en gevoed en aan de andere kant versterkt en verbreidt het zich en neigt ertoe anderen ook in die toestand te brengen. De ontwikkelingsmodus vertoont dan vooral een vergelijkbare overeenkomst met de zijnswijze die de Ruyter aanduidde als exploreren en zal vaker samenhangen met het beroepen worden.

Het is een onderscheid dat, voorzover mij bekend, nergens als zodanig in de theorieboeken vermeld wordt. Maar tevens een onderscheid waar alle werkers in de zorg zich, dunkt me, wel degelijk bewust van dienen te zijn. Ik veronderstel overigens dat we ons veelal ook wel bewust zijn van allerlei elementen uit bovenstaand verhaal en doorgaans hanteren we in die zin ook diverse bewuste en onbewuste normen en waarden gestoeld op de algemeen gangbare moraal en onze persoonlijke reflectie daarop. Opvoedings- of begeleidingsstijl en attitude luiden dan de gangbare termen daarvoor.
Ook (of juist?) in het werk in de zorg liggen bedrijfsblindheid en beroepsdeformatie nu eenmaal immer op de loer en blijft het nuttig onszelf en elkaar vragen van deze aard te blijven stellen.



Deze bespiegeling is uiteraard vooreerst en vooral aan mijn collega's in de zorg gericht. En dan wel de collega's op de werkvloer. Ik ben dan ook voornal nieuwsgierig naar reacties en op- en aanmerkingen vanuit die hoek.

Dick